Centrale Raad van Beroep, 13-02-2015 / 13-2104 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:390

Inhoudsindicatie
Schorsing, intrekking en terugvordering toeslag. Appellante en haar ex-partner stonden ingeschreven op hetzelfde adres en uit hun relatie zijn drie kinderen geboren. Geen mededeling gedaan van de gezamenlijke huishouding. Het beroep van appellante op artikel 26 van het IVBPR slaagt niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-13
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
13-2104 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2104 TW, 13/2105 TW

Datum uitspraak: 13 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

14 maart 2013, 12/671 en 12/672 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. M. Alta, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante ontvangt sinds 11 november 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met ernstige psychische klachten. Daarnaast ontvangt zij sinds 11 november 1988 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangezien zij ongehuwd dan wel duurzaam gescheiden is en een kind heeft dat destijds jonger was dan 18 jaar en voor wie zij kinderbijslag ontving. Appellante heeft een relatie gehad met [naam] en uit deze relatie zijn drie kinderen geboren, van wie het jongste kind is geboren op [datum] 1994. Appellante is sinds 6 juli 2006 woonachtig op het adres [adres]. In april 2012 is het Uwv, naar aanleiding van diens uitkeringsaanvraag, uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gebleken dat [naam] (sinds 9 augustus 1999) is ingeschreven op hetzelfde adres als appellante.


1.2.

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het Uwv de uitbetaling van de aan appellante toegekende toeslag met ingang van 1 mei 2012 geschorst. Bij besluit van 4 mei 2012 heeft het Uwv de toeslag van appellante met ingang van 6 juli 2006 ingetrokken op de grond dat zij sinds die datum met [naam] (ex-partner) een gezamenlijke huishouding voert, en hun gezamenlijke inkomen te hoog is om aanspraak op een toeslag te kunnen maken. Bij dat besluit heeft het Uwv voorts de over de periode van 6 juli 2006 tot en met 30 april 2012 aan appellante betaalde toeslag ter hoogte van € 19.275,12 als onverschuldigd betaald van haar teruggevorderd. Het bezwaar van appellante tegen deze besluiten is bij afzonderlijke besluiten van 9 augustus 2012 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht heeft kunnen uitgaan van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onder b, van de TW.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op grond van de uitspraak van de Raad van 9 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH0272) het in strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is te achten om ten aanzien van

ex-gehuwden tot in de lengte der dagen het rechtsvermoeden tegen te werpen, terwijl bij de overige geregistreerde relaties een maximale werkingsduur van dit rechtsvermoeden van twee jaar geldt. Appellante bestrijdt dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar

ex-partner, met wie zij tot kort na de geboorte van het jongste kind een affectieve relatie had. Pas vele jaren na beëindiging van hun relatie is appellante om medische redenen de van een eigen entree voorziene zelfstandige woonruimte in de woning van de ex-partner gaan bewonen en zij betaalt daarvoor een financiële vergoeding. Appellante heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op het taxatierapport van 13 november 2012 en de huurovereenkomst van 1 juli 2006. Appellante handhaaft haar standpunt dat, voor zover aangenomen moet worden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, zij aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan nu zij op 26 augustus 2008 tegen de verzekeringsarts heeft gezegd dat zij met haar kinderen haar hoofdverblijf had bij haar ex-partner, welke mededeling in het betreffende verzekeringsgeneeskundige rapport is opgenomen en dus bij het Uwv bekend was. Tot slot heeft appellante gesteld dat de onderhavige besluiten haar in een positie onder bijstandsniveau gedurende een zeer lange duur brengen hetgeen moet worden aangemerkt als dringende reden om van intrekking en terugvordering van de toeslag af te zien.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.1.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de TW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het vierde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de TW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante en haar ex-partner ten tijde hier in geding volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (nu: Basisregistratie Personen) van de [gemeente] ingeschreven stonden op hetzelfde adres en dat uit hun relatie drie kinderen zijn geboren.


4.3.

Het beroep van appellante op artikel 26 van het IVBPR slaagt niet. De uitspraak van de Raad van 9 januari 2009 heeft betrekking op het onweerlegbaar rechtsvermoeden ter zake van

ex-gehuwden (artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de TW), terwijl in het onderhavige geval sprake is van belanghebbenden uit wier relatie een kind(eren) is/zijn geboren (artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de TW). Bovendien wijst de Raad op het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2580), dat betrekking heeft op het identieke en gelijkluidende artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b van de Wet werk en bijstand. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het rechtsvermoeden niet leidt tot een met het IVBPR strijdige ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De achtergrond van dit artikel - bevordering van een effectieve bestrijding van leefvormfraude - is voldoende voor het oordeel dat niet gezegd kan worden dat de keuze van de wetgever van een redelijke grond ontbloot is. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden is van toepassing ongeacht de leeftijd van de (uit de relatie) geboren kinderen (uitspraak van de Raad van 15 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8024).

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is bepalend of appellante en haar ex-partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.4.1.

De beroepsgrond dat appellante een zelfstandige woonruimte/kamer, voorzien van een eigen entree, in de woning van de ex-partner bewoont, slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8470) dient onder woning als bedoeld in artikel 3 van de Wet werk en bijstand een zelfstandige woning te worden verstaan, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn. Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de TW, dat een gelijkluidende bepaling bevat, anders te oordelen. Gelet op het taxatierapport beschikt de woning aan de [adres] over één keuken, één badkamer en één toilet. Appellante heeft geen eigen keuken, badkamer en toilet. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij deze voorzieningen van haar ex-partner gebruikt, hetgeen ook blijkt uit de huurovereenkomst, waarin is opgenomen dat de ex-partner appellante het medegebruik van deze voorzieningen verleent. De woonruimte van appellante kan reeds daarom niet worden aangemerkt als zelfstandige woning. Daarbij wordt nog daargelaten dat uit het taxatierapport evenmin is gebleken dat appellante een eigen toegang tot de woonruimte heeft en dat zij de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover de ex-partner als eigenaar zeggenschap heeft. Dit betekent dat appellante en haar ex-partner gezamenlijk hoofdverblijf hebben in de woning op het adres [adres].


4.5.

Nu appellante niet heeft bestreden dat het totale inkomen van haar en haar ex-partner over de periode in geding meer bedroeg dan het minimumloon, staat daarmee vast dat zij over deze periode geen recht had op toeslag ingevolge de TW.


4.6.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG1916), met juistheid geoordeeld dat met de mededeling aan de verzekeringsarts tijdens het spreekuurcontact niet is voldaan aan de wettelijke mededelingsplicht als bedoeld in artikel 12 van de TW. Het gesprek met de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden in het kader van de herbeoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid. Gelet op het doel van dit gesprek en de context waarin dit gesprek heeft plaatsgevonden, heeft de verzekeringsarts kunnen noch hoeven onderkennen dat appellante met deze mededeling van haar gewijzigde leefsituatie ten onrechte toeslag ingevolge de TW ontving. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.


4.7.

Gezien het vorenstaande heeft het Uwv de toeslag over de genoemde periode terecht ingetrokken op de grond dat appellante geen mededeling heeft gedaan van de gezamenlijke huishouding. De door appellante gestelde omstandigheden zijn geen dringende redenen om van intrekking af te zien.


4.8.

Het Uwv was daarom gehouden de ten onrechte betaalde toeslag van appellante over de periode van 6 juli 2006 tot en met 30 april 2012 van haar terug te vorderen. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Dat de woning van de ex-partner is verkocht, dat appellante sindsdien een zwervend bestaan leidt en moet rondkomen van een geringe WAO-uitkering, leidt niet tot het oordeel dat van dergelijke gevolgen sprake is. De gestelde omstandigheden kunnen niet als direct gevolg van de terugvordering worden aangemerkt. Voorts merkt de Raad nog op dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig moet geschieden dat de betrokkene blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de zogeheten beslagvrije voet. Het Uwv heeft de onverschuldigd betaalde toeslag terecht van appellante teruggevorderd.


4.9.

Met betrekking tot de schorsing van de uitbetaling van de toeslag heeft de rechtbank terecht overwogen dat er duidelijke aanwijzingen bestonden dat het recht op toeslag niet meer bestond nu het Uwv gebleken was dat appellante en de ex-partner op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen en uit hun relatie kinderen zijn geboren zodat mogelijk sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het Uwv heeft de uitbetaling van de toeslag dan ook terecht ingaande 1 mei 2012 geschorst.


4.10.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.9 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2015.



(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) I. Mehagnoul




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.




QH