Centrale Raad van Beroep, 13-02-2015 / 13-2916 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:391

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Uit de in hoger beroep overgelegde medische gegevens blijkt niet dat de artsen van het Uwv per de datum in geding van een onjuiste medische belastbaarheid zijn uitgegaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-13
Publicatiedatum
2015-02-17
Zaaknummer
13-2916 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2916 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2013, 12/5310 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat, hoger beroep ingesteld

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere (medische) gegevens overgelegd, waarop door het Uwv is gereageerd door inzending van een rapport van een arts bezwaar en beroep .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 6 juli 2011 voor 40 uur per week via een uitzendbureau werkzaam bij [bedrijf] als productiemedewerker medicijnen, toen hij zich op 15 juli 2011 ziek meldde ten gevolge van toegenomen epileptische aanvallen en rugklachten, na een hem op 14 juli 2011 overkomen ongeval.


1.2.

Na een onderzoek door een bedrijfsarts op 28 maart 2012 en na ontvangst door deze arts van medische informatie van de behandelend sector is appellant met ingang van 11 juli 2012 geschikt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 6 juli 2012 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellant beëindigd per 11 juli 2012.


1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 juli 2012. Bij besluit van

28 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een arts bezwaar en beroep van het Uwv van

27 augustus 2012 ten grondslag.


2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij is van belang geacht dat uit de rapporten van de bedrijfsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant geuite klachten, waaronder psychische klachten en de epileptische aanvallen die appellant naar eigen zeggen heeft. Verder hebben de artsen naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat appellant geschikt is om zijn arbeid te verrichten. Gelet op deze motivering, waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv over voldoende informatie van de behandelend sector hebben beschikt, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de betrokken artsen. Appellants stelling dat de diagnose epilepsie in Turkije is gesteld, is niet met stukken onderbouwd. De informatie die appellant in beroep heeft overgelegd heeft de rechtbank evenmin aanleiding gegeven te twijfelen aan de bevindingen van de artsen van het Uwv. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat door de ingebrachte medische informatie wordt bevestigd dat noch de psychische klachten noch de epileptische aanvallen kunnen worden geobjectiveerd.


2.2.

De rechtbank heeft het standpunt van appellant, dat het onzorgvuldig is dat het medisch onderzoek niet heeft plaats gevonden door of onder verantwoordelijkheid van een (geregistreerde) verzekeringsarts maar door bedrijfsartsen niet gevolgd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van een ZW-beoordeling, in tegenstelling tot een beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), het niet noodzakelijk is dat het onderzoek door of onder verantwoordelijkheid van een (geregistreerde) verzekeringsarts wordt verricht.


2.3.

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van appellant, dat van een werkgever niet verwacht kan worden hem in dienst te nemen, niet afdoet aan zijn geschiktheid in de zin van de ZW waarbij arbeidsmarktfactoren geen rol spelen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen hebben onderschat en dat hij vanwege zijn beperkingen niet in staat is zijn arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant diverse medische gegevens overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft een reactie van een arts bezwaar en beroep op de stellingen en de door appellant ingediende medische gegevens overgelegd. Daarin heeft deze arts te kennen gegeven dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt te wijzigen. De informatie is onvolledig, er ontbreken woorden in de kopieën, op sommige stukken ontbreken de data en handtekeningen. Voorts zijn sommige stukken niet nieuw en voegen deze daarom geen extra informatie toe.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Uit de in hoger beroep overgelegde medische gegevens blijkt niet dat de artsen van het Uwv per de datum in geding van een onjuiste medische belastbaarheid zijn uitgegaan. Hetgeen hieromtrent door de arts bezwaar en beroep in het rapport van 16 september 2013 is opgemerkt wordt onderschreven.


4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Hieruit volgt dat er geen grond is voor een veroordeling tot vergoeding van schade, zodat dit verzoek wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) H.J. Dekker




QH