Centrale Raad van Beroep, 18-09-2015 / 14-3600 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:3915

Inhoudsindicatie
Op de volledige toeslag wordt in mindering gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit arbeid of overig inkomen, artikel 10, tweede lid, van de AOW. In artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Inkomensbesluit is bepaald wat onder overig inkomen wordt verstaan. Uit het polisblad met betrekking tot het OHRA-pensioen van appellantes echtgenoot blijkt dat het een uitkering is als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964. De toegekende toeslag is terecht herzien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-18
Publicatiedatum
2015-11-10
Zaaknummer
14-3600 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/3600 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

27 mei 2014, 14/76 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015. Appellante is daarbij met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontvangt sinds september 2010 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met ingang van november 2010 is aan appellante tevens een toeslag krachtens de AOW toegekend, omdat het inkomen van de echtgenoot van appellante met ingang van die maand was gewijzigd. Bij besluit van 18 september 2012 heeft de Svb appellante medegedeeld dat de toeslag per 15 april 2013 wordt beëindigd, omdat haar echtgenoot dan de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.


1.2.

In maart 2013 heeft de Svb vernomen dat de echtgenoot van appellante in 2011 en 2013 inkomsten heeft ontvangen in verband met enkele pensioenvoorzieningen. Op verzoek van de Svb heeft appellante informatie over één van die pensioenen toegezonden. Het betreft een zogenoemd ‘Direct Ingaand Pensioen’ van OHRA Levensverzekeringen N.V., met als ingangsdatum 31 december 2012, waarbij is overeengekomen dat de uitbetaling van het pensioen per halfjaar achteraf zal plaatsvinden en afhankelijk is van het in leven zijn van de verzekerde. De eerste pensioenbetaling was in juli 2013 over het eerste halve jaar en vervolgens na verloop van ieder volgend halfjaar.


1.3.

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de Svb de aan appellante toegekende toeslag over de maanden januari tot en met april 2013 herzien en nader vastgesteld, rekening houdend met de inkomsten van haar echtgenoot uit het pensioen van OHRA. Bij besluit van dezelfde datum heeft de Svb de over die periode teveel betaalde toeslag te hoogte van € 2.632,86 bruto van appellante teruggevorderd.


1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 16 december 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb - onder meer - het bezwaar gericht tegen de besluiten van 24 juni 2013 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat nabetalingen van uitkeringen worden toegerekend aan de periode waarover recht bestaat en dat daarom het in juli 2013 betaalde pensioenbedrag is toegerekend aan de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De pensioenbetaling van juli 2013 is volgens de rechtbank terecht aangemerkt als overig inkomen op grond van artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Inkomensbesluit). Nu dit pensioen betrekking heeft op de maanden januari tot en met juni 2013 heeft de Svb een deel van het pensioen terecht in mindering gebracht op de aan appellante toegekende toeslag krachtens de AOW.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er over de periode van januari tot en met april 2013 nog geen recht bestond op het OHRA-pensioen, omdat dit een voorwaardelijk recht betrof, nu het afhankelijk was van het in leven zijn van de echtgenoot van appellante op

30 juni 2013. Gedurende het tijdvak waarin de toeslag werd ontvangen in 2013 bestond er dus geen recht op het OHRA-pensioen. Appellante is van oordeel dat er geen wettelijke basis is voor het toerekenen van een voorwaardelijk pensioen uit een latere periode aan een eerdere periode.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil of de Svb bij de beoordeling van de aanspraak van appellante op een toeslag ingevolge de AOW, over de maanden januari tot en met april 2013, terecht het per 30 juni 2013 aan de echtgenoot van appellante betaalde

OHRA- pensioen heeft aangemerkt als een pensioen voor de maanden januari tot en met juni 2013.


4.2.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de AOW wordt op de volledige toeslag in mindering gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit arbeid of overig inkomen. In artikel 2:4, eerste lid, onder m, van het Inkomensbesluit is bepaald dat onder overig inkomen wordt verstaan een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964. Verder is in artikel 4:1, eerste lid, onder a, van het Inkomensbesluit bepaald dat het inkomen voor de toepassing van de AOW wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand. Ten aanzien van overig inkomen is in het vierde lid van dit artikel nog bepaald dat dit inkomen bij de toepassing van het eerste lid wordt toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat.


4.3.

Het aan de echtgenoot van appellante betaalde OHRA-pensioen is, blijkens het door appellante overgelegde polisblad met betrekking tot dit pensioen, een uitkering als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964. Voorts blijkt uit dit polisblad dat de betalingen per half jaar achteraf betrekking hebben op het daaraan voorafgaande halfjaar. Gelet op het bepaalde in artikel 4:1, vierde lid, van het Inkomensbesluit heeft de Svb de pensioenbetaling van OHRA in juli 2013 terecht toegerekend aan de periode waarop deze uitkering betrekking heeft, namelijk de eerste zes maanden van 2013. Omdat de echtgenoot van appellante op 30 juni 2013 nog in leven was, is de voorwaarde die in de polis is opgenomen vervuld en moet achteraf worden geconstateerd dat hij over het eerste halve jaar van 2013 recht had op het pensioen dat OHRA hem in juli 2013 ook heeft uitbetaald. Deze betaling moet dan ook, herleid tot een bedrag per kalender maand, worden toegerekend aan de maanden januari tot en met april 2013.


4.4.

Dit betekent dat de Svb de aan appellante toegekende toeslag over de maanden januari tot en met april 2013 terecht heeft herzien in verband met het ontvangen OHRA-pensioen. Voorts is niet gebleken van gebreken in de berekening van de te veel betaalde toeslag en in de besluitvorming van de Svb met betrekking tot de herziening van de toeslag en de terugvordering van de te veel betaalde toeslag.


4.5.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) L.H.J. van Haarlem


AP