Centrale Raad van Beroep, 26-10-2015 / 13/5949 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:3946

Inhoudsindicatie
Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. De aanvraag van appellante strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van, dan wel overgaat tot heroverweging van het besluit van 21 februari 2011 en is terecht ook opgevat als een zogenoemde Amber-melding. Terecht oordeel rechtbank dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uitoefening van de bevoegdheid wat betreft het verleden door het Uwv de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Medisch is voldoende onderbouwd dat eerst meer dan vijf jaar na einde wachttijd sprake is van toegenomen beperkingen. De beoordeling door het Uwv in het bestreden besluit is niet volledig geweest. Het Uwv heeft dat met de rapporten van 1 mei 2015 en 20 mei 2015 alsnog juist gedaan. Het bestreden besluit kan daarom in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal, met verbetering van de gronden, worden bevestigd. Pkv en gr. recht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-26
Publicatiedatum
2015-11-12
Zaaknummer
13/5949 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5949 WWAJ

Datum uitspraak: 26 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

26 september 2013, 13/2608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. G.R. Dorhout-Tielken, advocaat. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1988, heeft op 21 december 2010 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) wegens sinds voor haar 17e levensjaar bestaande lichamelijke klachten. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante 100% van het minimum (jeugd)loon kan verdienen en om die reden niet voor een uitkering op grond van de Wet Wajong in aanmerking komt. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als thuiswerkende callcentermedewerker gedurende 16 uur per week. Op 17 mei 2011 heeft zij zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld wegens linker knieklachten, waarna appellante door haar werkgever per 11 januari 2012 ziek uit dienst is gemeld en appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen.


1.3.

Bij brief van 7 augustus 2012 heeft appellante het Uwv verzocht haar alsnog een Wet Wajong-uitkering toe te kennen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 16 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 3 april 2013 (bestreden besluit), heeft het Uwv met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellante afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 21 februari 2011. Daarnaast is volgens het Uwv geen sprake geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode gelegen tussen de datum einde wachttijd 23 april 2006 en de vijf jaar daarna, tot 23 april 2011. Het Uwv heeft daarbij vastgesteld dat sprake is van toegenomen klachten sinds 14 mei 2011.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat wel degelijk nieuwe informatie over haar klachten bekend is geworden na het besluit van 21 februari 2011. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar rapporten uit 2012 van revalidatiecentrum De Hoogstraat, die zij bij haar aanvraag heeft ingediend, en brieven uit 2011 en 2012 van de orthopeed en reumatoloog van de Sint Maartenskliniek, die in het kader van een beoordeling voor de ZW zijn opgevraagd door de verzekeringsarts. Uit deze informatie blijkt volgens appellante dat haar uitval in mei 2011 als gevolg van knieklachten samenhangt met het Syndroom van Ehlers Danlos dat appellante sinds haar jeugd heeft en dat sprake is van een toename van geobjectiveerde afwijkingen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd een verzoek te doen om terug te komen van een eerder besluit (met ingang van de datum waarop dat besluit zag), een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid of een verzoek te doen om herziening voor de toekomst.


4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, alsmede hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Daarbij heeft de Raad gewezen op zijn vaste rechtspraak dat in zaken waarop artikel 4:6 van de Awb (analoog) van toepassing is, niet in de beoordeling in (hoger) beroep kunnen worden betrokken de pas in die fase ingebrachte stukken die voorafgaand aan het besluit op bezwaar niet bij het bestuursorgaan bekend waren als onderbouwing van reeds in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase opgeworpen stellingen. De Raad heeft in de genoemde uitspraak van 14 januari 2015 aanleiding gezien deze vaste rechtspraak voor zaken over een duuraanspraak nader in te vullen, in die zin dat, indien de aanvraag waarbij is verzocht om herziening voor de toekomst uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, (ook) in beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijsstukken kunnen worden aangedragen. Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende.


4.3.

De aanvraag van appellante strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van, dan wel overgaat tot heroverweging van het besluit van 21 februari 2011, waarbij is vastgesteld dat appellante geen recht had op een Wet Wajong-uitkering. Daarnaast heeft appellante melding gemaakt van toegenomen klachten na haar 18e verjaardag. De aanvraag van appellante is daarom terecht ook opgevat als een zogenoemde Amber-melding.


4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat door appellante ter onderbouwing van haar aanvraag en haar bezwaar naar voren is gebracht, niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu deze argumenten naar voren hadden kunnen worden gebracht in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 februari 2011. De door appellante in de (hoger) beroepsprocedure ingezonden (medische) informatie dient, gelet op het karakter van de aanvraag, buiten beschouwing te worden gelaten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts in zijn rapport van

29 maart 2013 overtuigend gemotiveerd dat de ingezonden informatie van de huisarts uit 2011 en revalidatiecentrum De Hoogstraat uit 2012 geen nieuwe (medische) feiten en omstandigheden bevat die niet bekend waren ten tijde van de oordeelsvorming van het Uwv in 2011. Het Uwv was daarom wat betreft het verleden bevoegd om het verzoek om herziening van 7 augustus 2012 onder verwijzing naar het eerdere besluit van 21 februari 2011 af te wijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uitoefening van deze bevoegdheid de rechterlijke toetsing kan doorstaan.


4.5.

Betreffende appellantes beroep op artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong wegens toegenomen klachten sinds haar 18e verjaardag heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 29 maart 2013 en 30 juli 2013 genoegzaam onderbouwd dat in deze periode blijkens de medische stukken, waaronder informatie van de huisarts en reumatoloog, geen eerder moment dan het weekend voor 18 mei 2011, daarom meer dan vijf jaar na einde wachttijd, is aan te wijzen waarin sprake is geweest van toegenomen beperkingen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 mei 2015 overtuigend gemotiveerd dat sprake is van een mildere vorm en geen progressieve vorm van Syndroom van Ehlers-Danlos. Er bestond dan ook geen aanleiding om met toepassing van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong met ingang van een latere datum een uitkering toe te kennen. De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan dit oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.6.

Vastgesteld moet worden dat het Uwv de in de uitspraak van 14 januari 2015 omschreven beoordeling niet volledig heeft uitgevoerd. Nu het Uwv in het bestreden besluit heeft verzuimd te beoordelen of hetgeen door appellante is aangevoerd ertoe kan leiden dat zij aanspraak kan maken op een Wet Wajong-uitkering krachtens herziening van het besluit van 21 februari 2011 voor de periode na haar aanvraag, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Bezien zal worden of onder toepassing van artikel

6:22 van de Awb het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.


4.7.

Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 mei 2015 en 20 mei 2015 op goede gronden uiteengezet dat de informatie van de behandelende artsen geen gegevens bevat om met ingang van een latere datum dan 7 augustus 2012 over te gaan tot herziening van het besluit van 21 februari 2011, omdat niet blijkt dat appellante (achteraf) meer beperkt had moeten worden geacht. Dit leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellante ook met betrekking tot het onder 4.6 genoemde aspect dat niet door het Uwv beoordeeld is, afgewezen had moeten worden. Het bestreden besluit kan daarom in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.


5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep ter hoogte van € 980,- en in hoger beroep ter hoogte van € 980,-, totaal € 1.960,-.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten in beroep en hoger beroep ter hoogte van € 1.960,-;

- bepaalt dat van het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

ter hoogte van € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2015.




(getekend) P.H. Banda




(getekend) K. de Jong




AP