Centrale Raad van Beroep, 10-02-2015 / 13-4051 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:399

Inhoudsindicatie
Intrekking nabestaandenuitkering. Gezamenlijke huishouding. Uitgaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en ondertekende verklaring.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
13-4051 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4051 ANW

Datum uitspraak: 10 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2013, 13/905 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.J. Hopmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Hopmans en [getuige], wonende te [plaats], getuige. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Hij heeft daarbij appellant in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen.

Bij brief van 22 en 29 oktober 2014 heeft appellant nadere stukken overgelegd waarop de Svb bij brieven van 28 en 31 oktober 2014 heeft gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 1 januari 1988 een weduwnaarspensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, dat met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet naar een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In het kader van een onderzoek naar de leefsituatie van appellant heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb dossieronderzoek verricht en op 20 juni 2012 een huisbezoek op het adres van appellant afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de handhavingsrapportage van 16 juli 2012.


1.2.

De resultaten van het onderzoek zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 20 juli 2012 het recht van appellant op nabestaandenuitkering met ingang van 1 mei 2011 in te trekken op de grond dat appellant met [naam 1]een gezamenlijke huishouding voert.


1.3.

Bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het besluit tot intrekking van nabestaandenuitkering is een belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de Svb rust.


4.2.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, voor zover hier van belang, is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 van de Anw eindigt het recht met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.


4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

De Svb heeft bij de beoordeling van de gezamenlijke huishouding doorslaggevende betekenis kunnen toe kennen aan de verklaring van appellant en de door appellant ondertekende checklist van 20 juni 2012. Hieruit kan worden opgemaakt dat [naam 2] vanaf april 2011, vier of meer nachten per week bij appellant verblijft en dat sedertdien sprake is van wederzijdse zorg.


4.5.

Appellant betwist in hoger beroep dat de gezamenlijke huishouding zich vanaf april 2011 voordoet en stelt dat eerst na een gezamenlijk uitje in april 2012 definitief besloten is om samenwoning te beproeven. Op de vraag tijdens het huisbezoek sedert wanneer de nieuwe situatie zich voordeed heeft appellant geantwoord sinds het “vroegjaar”. De toezichthouder heeft dit blijkbaar opgevat als vorig jaar en heeft toen april 2011 genoteerd. Appellant heeft vervolgens de checklist en de verklaring klakkeloos ondertekend en de fout niet opgemerkt. Ter ondersteuning van het tijdstip van de aanvang van de samenwoning heeft appellant in hoger beroep een verklaring van [naam 1] en van [naam 2], die bij appellant een kamer huurt, overgelegd. Ter zitting is [naam 2] als getuige gehoord en heeft hij verklaard overeenkomstig zijn handgeschreven verklaring van 31 juli 2013 dat appellant en [naam 1] kort voor zijn verjaardag op 5 mei 2012 zijn gaan samenwonen. Appellant heeft onder meer het begin van de gezamenlijke huishouding na het weekend in Duitsland, en de spraakverwarring ten aanzien van “vroegjaar” en vorig jaar nader toegelicht.


4.6.

Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. In dit geval bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de weergave van hetgeen door appellant is verklaard en wat is vermeld op de checklist. Aan de in hoger beroep overgelegde verklaringen van [naam 1] en [naam 2] kan niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien. De nadere bewijsstukken ten aanzien van het markeerpunt van de aanvang van de gezamenlijke huishouding, namelijk de hotelreservering van het hotel in Duitsland en de geldopname aldaar, vormen onvoldoende aanleiding om de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding op april 2012 te stellen. Ook de nadere overgelegde stukken met betrekking tot de telefoon- en internetaansluiting en het waterverbruik, bieden daartoe geen aanknopingspunten. Het waterverbruik over de periode van oktober 2010 tot en met oktober 2013, dat wijst in de richting van een bewoning van het adres van appellant door drie personen, is vrij constant en laat geen wezenlijke verandering zien rond april 2012.


4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




De griffier is buiten staat te ondertekenen



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.




HD