Centrale Raad van Beroep, 17-02-2015 / 13-5610 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:419

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenplicht. Gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-17
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
13-5610 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5610 WWB, 13/5611 WWB

Datum uitspraak: 17 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2013, 12/5052 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats](appellante) en [appellant] te [woonplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. P. van Wegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015. Namens appellanten is verschenen mr. drs. van Wegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Mersel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 18 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 1 juni 2011 is haar dochter geboren, die op 10 juni 2011 door appellant is erkend. De bijstand van appellante is met ingang van

1 juni 2011 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond in de te beoordelen periode ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [plein] [nr. 13] te [woonplaats](uitkeringsadres). Appellant stond in de te beoordelen periode in de GBA ingeschreven met een briefadres aan de [adres 2] te Delft.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de sociale recherche uit Delft dat appellante al drie jaar met appellant gehuwd is voor de Islamitische wetgeving, dat zij met hem op haar adres samenwoont en dat appellant rijdt in een groene Audi A3 met [kenteken], heeft de sociale recherche van [woonplaats]een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties uitgevoerd, water- en energieverbruiksgegevens van het uitkeringsadres opgevraagd, appellanten verhoord en diverse buurtbewoners gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 februari 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

22 februari 2012 de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2012 in te trekken. Bij besluit van 23 februari 2012 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 18 januari 2010 tot en met 31 januari 2012 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 29.648,40 van appellante teruggevorderd en van appellant mede teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat uit onderzoek is gebleken dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en appellante dit niet aan het college heeft gemeld, waardoor zij de inlichtingenplicht heeft geschonden en haar ten onrechte bijstand is verleend. Het college heeft de tegen deze besluiten gerichte bezwaren bij besluit van 20 november 2012 ongegrond verklaard.


1.4.

Bij besluit van 3 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2012 alsnog gegrond verklaard en dat besluit in zoverre herroepen, dat de intrekking van de bijstand van appellante wordt beperkt tot de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 januari 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.672,54 van appellante wordt teruggevorderd en dit bedrag mede van appellant wordt teruggevorderd. De intrekking van de bijstand met ingang van 1 februari 2012 is gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voeren aan dat zij in de periode in geding niet hun gezamenlijk hoofdverblijf aan het [plein] [nr. 13] te [woonplaats]hadden. De rechtbank heeft hiervoor ten onrechte in de onderzoeksbevindingen van verweerder voldoende aanknopingspunten gevonden. Het waterverbruik waarnaar wordt verwezen is slechts een gemiddelde en in de praktijk kan het individuele verbruik afwijken. Met de energiegegevens wordt het standpunt onderbouwd dat appellante alleen op genoemd adres woonde. De observaties van de auto van appellant op het [plein] vinden afdoende verklaring in het feit dat appellante ook de auto gebruikte en het gegeven dat appellant op hetzelfde plein werkte. Ten aanzien van de getuigenverklaringen van buurtbewoners en de verklaringen van getuigen betreffende de werkelijke verblijfplaats van appellant persisteren zij in wat zij in bezwaar en beroep naar voren hebben gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking van de bijstand bij het besluit van 22 februari 2012 niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Gelet op het besluit van 22 februari 2012 en het bestreden besluit loopt de te beoordelen periode van 1 juni 2011 tot en met 22 februari 2012.

4.2.

De vraag ligt voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.4.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten op 1 juni 2011 een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.5.

De intrekking van bijstand betreft een voor appellante belastend besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1819) is het dan aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat appellanten op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben en dat om die reden het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB van toepassing is, rust derhalve op het college.


4.6.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.7.1.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning aan het uitkeringsadres. Van belang hiervoor is dat concrete verklaringen zijn afgelegd door zeven omwonenden van vier omliggende adressen van het uitkeringsadres. De omwonenden herkennen appellante en appellant allen op een aan hen getoonde foto en verklaren met vermelding van concrete details dat appellanten daar wonen samen met hun dochter. Ter onderbouwing van de conclusie dat appellanten daar beiden wonen is bijvoorbeeld verklaard dat zij gezamenlijk het huis hebben verbouwd nadat de vorige bewoonster was overleden, dat appellanten worden gezien, dat zij appellanten (regelmatig) op de trap tegenkomen, dat appellanten op de parkeerplaats worden gezien, en dat de auto van de man (altijd) voor de deur staat, waarbij het merk (Audi) en soms ook het type (A3) van de auto wordt genoemd. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, zijn de verklaringen van de omwonenden van het uitkeringsadres tegenover de sociale recherche dat appellanten samen op genoemd adres wonen gebaseerd op voldoende feiten, die zij zelf hebben waargenomen.


4.7.2.

Verder hebben van 2 mei 2011 tot en met 20 oktober 2011 en van 31 januari 2012 tot en met 14 februari 2012 observaties nabij het uitkeringsadres plaatsgevonden. Uit deze observaties is naar voren gekomen dat de in 1.2 vermelde auto die op naam van appellant staat in de eerste periode bij 50 observaties 42 keer op het [plein] is aangetroffen en in de tweede periode bij 16 observaties 11 keer aldaar is aangetroffen. De verklaring van appellanten dat appellant op het [plein] werkt, verklaart niet het feit dat de auto ook veelvuldig in de vroege ochtend en late avond daar is aangetroffen. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de verklaring dat ook appellante in de auto rijdt niet afdoende is voor het veelvuldig aantreffen van de auto op het [plein]. Ook de buurtbewoners verklaren over de Audi A3 van appellant.


4.7.3.

Verder is uit informatie van Evides gebleken dat in de periode van 23 september 2010 tot en met 7 oktober 2011 het watergebruik op het uitkeringsadres 112 m³ was en dat het gemiddelde verbruik voor één persoon 50 m³ per jaar en voor een kind 30 m³ per jaar is. Volgens het Nibud is het gemiddelde verbruik voor één persoon 45 m³. Hiervan uitgaande kan worden gezegd dat in een gedeelte van de te beoordelen periode het waterverbruik op genoemd adres veel hoger was dan het gemiddelde voor één persoon met een kind, wat een ondersteuning vormt voor de conclusie dat in die periode aldaar meer dan één persoon en een kind woonachtig waren. Het beroep op het energieverbruik in de woning op het uitkeringsadres kan niet slagen omdat de beschikbare gegevens betrekking hebben op een periode die voorafgaat aan de hier te beoordelen periode.


4.7.4.

Uit 4.7.1 tot en met 4.7.3 in samenhang bezien volgt dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie van het college dat appellant in de te beoordelen periode samen met appellante op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had.


4.7.5.

Daartegenover liggen drie door appellanten overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen, waaruit volgens appellanten blijkt dat appellant op het adres

[adres 3] te [woonplaats]woonde. Aan de twee verklaringen van [X.] en

[Y.] van 3 april 2012, waarin zij verklaren dat appellant op het adres “[adres 3]” te [woonplaats]verblijft, hecht de Raad weinig waarde. Uit de omstandigheid dat zij regelmatig in het café komen dat gelegen is tegenover het gestelde verblijfadres van appellant en dat zij hem daarnaast ook wel eens ontmoeten in het café, zoals zij verklaren, kan niet worden opgemaakt dat appellant daadwerkelijk op dat adres woonde. Ook aan de verklaring van

[Z.] van 3 april 2012, dat appellant op het adres “[adres 3]” te [woonplaats]verblijft en dat hij dat kan verklaren omdat hij woonachtig is in de genoemde woning, hecht de Raad weinig waarde. Bovendien blijkt uit gegevens van Evides dat het waterverbruik op het adres [adres 3] te [woonplaats]in de periode van 1 januari 2008 tot

10 augustus 2011 38 m³ was en in de periode 10 augustus 2011 tot 15 augustus 2012 29 m³. Uitgaande van een gemiddeld gebruik van 50 m³ per jaar voor één volwassene is niet aannemelijk dat er in de te beoordelen periode twee personen op dat adres woonden. Aan de verklaring van [F.], de bovenbuurvrouw van appellante, van 3 april 2012 hecht de Raad eveneens weinig waarde, nu deze verklaring geen concrete informatie bevat, die ziet op de hier te beoordelen periode. 4.8. Uit 4.7 tot en met 4.7.5 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat terecht een gezamenlijke huishouding is aangenomen. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting daarvan geen melding gemaakt aan het college met als gevolg dat aan appellante in genoemde periode ten onrechte als zelfstandig subject bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. Dit betekent dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 1 juni 2011 tot en met 22 februari 2012.

4.9.

De omstandigheid dat de strafrechter appellanten van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.10.

Tegen de terugvordering en de medeterugvordering hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat die geen bespreking behoeven.

4.11.

De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




De griffier is buiten staat te ondertekenen



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD