Centrale Raad van Beroep, 02-10-2015 / 13/1780 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:4203

Inhoudsindicatie
Weigering terug te komen van Wajong-besluit. 1) Voor het verleden. Wat appellant naar voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in art. 4:6 Awb. 2) Voor de toekomst. De door appellant overgelegde medische informatie bevat geen nieuwe gegevens die aanleiding geven om de naar aanleiding van zijn eerste aanvraag vastgestelde beperkingen op de dag dat hij 17 jaar oud werd voor onjuist te houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-02
Publicatiedatum
2015-12-01
Zaaknummer
13/1780 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1780 WAJONG

Datum uitspraak: 2 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 februari 2013, 12/2869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend en het Uwv heeft op 12 maart en 4 augustus 2015 gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2015. Appellant is verschenen met bijstand van zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op [geboortedatum] 1967 geboren.


1.2.

Bij aanvraagformulier van 1 mei 2003 heeft appellant het Uwv verzocht om hem alsnog een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij ADHD heeft met borderline-trekken en daardoor geen enkele dienstbetrekking lang kan vervullen. Hij vervalt steeds in zelfdestructief gedrag door drugsgebruik en crimineel gedrag.


1.3.

Bij besluit van 27 augustus 2003 heeft het Uwv geweigerd de gevraagde uitkering toe te kennen omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. Appellants bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 24 februari 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit overwogen dat er op de dag dat appellant 17 jaar werd en in de 52 weken daaropvolgend beperkingen waren voor het verrichten van arbeid, maar dat in ieder geval geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid omdat appellant toen werkte. Aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties is voorts vastgesteld dat er toen geen verlies aan verdiencapaciteit was.


1.4.

Appellant heeft bij aanvraagformulier van 19 februari 2009 het Uwv opnieuw verzocht om hem een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Bij deze aanvraag heeft hij te kennen gegeven dat hij talloze keren heeft geprobeerd te werken, maar dat hij door zijn gesteldheid arbeid niet lang kan volhouden. Voorts heeft appellant vermeld dat bij hem ADHD met borderline trekken is vastgesteld.


1.5.

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft het Uwv geweigerd het besluit van 27 augustus 2003 te herzien omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.


1.6.

Appellant heeft bij aanvraagformulier van 11 november 2011 het Uwv opnieuw verzocht om hem een Wajong-uitkering toe te kennen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv dossieronderzoek verricht en telefonisch contact gehad met appellant. Zij vermeldt in haar rapport van 28 november 2011 dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, die, als ze bij de vorige beoordeling bekend waren geweest, tot een ander oordeel zouden hebben kunnen leiden over de situatie van appellant op de dag dat hij 17 jaar oud werd en de 52 weken daarna.


1.7.

Bij besluit van 30 november 2011 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van de besluiten van 27 augustus 2003, 24 februari 2004 en 18 juni 2009. Het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2011 is bij besluit van 24 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op grond van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden op de dag dat hij 17 jaar werd, [geboortedatum] 1984, en de 52 weken daarna, volledig, dan wel voor meer dan 25%, arbeidsongeschikt had moeten worden beoordeeld. Hij heeft erop gewezen dat hij in de periode van 2003 tot 2008 vele malen strafrechtelijk is veroordeeld voor diefstallen, al dan niet met geweld, en drugsgerelateerde delicten. Zijn bovengemiddelde intelligentie in combinatie met de extreme hoeveelheid door hem gepleegde delicten dienen volgens hem te leiden tot de conclusie dat hij zodanig beïnvloed wordt door zijn stoornis dat hij niet normaal kan functioneren in het dagelijks leven en zeker niet op de reguliere arbeidsmarkt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij onder meer gewezen op de door hem in de bezwaarfase ingebrachte rapporten van psychiater G.T. Gerssen van 5 november 2009 en forensisch psycholoog P.E. Geurkink van 7 november 2009 en de stukken die betrekking hebben op zijn opname in de Forensisch Psychiatrische Kliniek De Kijvelanden (FPK). Daarbij is gewezen op de ontslagbrief van 15 april 2013 van

J. Schetters, psychiater bij FPK, waarin is geconcludeerd dat appellant zich door zijn persoonlijkheidsstoornis voortdurend in situaties manoeuvreert waarin hij vastloopt en dat hij, wanneer dat gebeurt, zelfdestructief wordt en in heftig middelengebruik vervalt. De beperkingen die hij nu heeft bestonden ook al op de dag dat hij 17 jaar oud werd en in de 52 weken daarna, en zijn volgens appellant door het Uwv bij de beoordeling van zijn eerste aanvraag in 2003 ernstig onderschat. Hij heeft weliswaar in het jaar dat hij 17 jaar werd gewerkt bij familie, doch dit was volgens hem tot schade aan zijn gezondheid. Appellant heeft voorts ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een uitspraak van de Raad van 3 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1958. Hij heeft de Raad verzocht om een psychiater als medisch deskundige te benoemen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Gelet op het overgangsrecht bij de invoering van de Wajong dient, omdat appellant is geboren in 1967, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW; uitspraak van de Raad van

8 april 2015, ECLI:NL:2015:1111).


4.2.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld.


4.4.

Uit de voor de hoorzitting van 4 april 2012 opgestelde brief van appellant van

27 maart 2012 valt af te leiden dat het hier een herhaalde aanvraag voor een uitkering met toepassing van de AAW betreft, zowel voor het verleden als een aanvraag voor een uitkering in de toekomst. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het voortschrijden van de tijd blijkt dat er bij de eerdere beoordeling door het Uwv te weinig beperkingen zijn vastgesteld. Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant de in 3.1 genoemde rapporten van Gerssen en Geurkink en de ontslagbrief van Schetters overgelegd. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard dat niet is beoogd om een beroep te doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid.


4.5.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat wat appellant naar voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de beoordeling van zijn eerste aanvraag is uitgegaan van dezelfde diagnoses en dezelfde problematiek als in de in 4.3 genoemde rapporten is vermeld. Appellant heeft ook in het kader van zijn aanvraag in 2003 al naar voren gebracht dat hij geen enkele baan kon volhouden. Dat in de loop der jaren daadwerkelijk uit zijn levensloop zou zijn af te leiden dat hij hiertoe niet in staat is kan niet als een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. In het rapport van Gerssen is bovendien vermeld dat betrokkene verantwoordelijk blijft voor de keuzes die hij maakt. Voorts blijkt uit de door appellant ingebrachte rapporten niet dat hij niet tot het verrichten van reguliere arbeid in staat is. Het geval van appellant verschilt wezenlijk van dat waarover de Raad heeft geoordeeld in de uitspraak van 3 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1958. In het laatst bedoelde geval is uit de stukken gebleken dat de betrokkene niet tot reguliere arbeid in staat was. Uit de door appellant overgelegde rapporten blijkt niet dat appellant arbeid heeft verricht die schadelijk was voor zijn gezondheid. De brief van Schetters kan niet in de beoordeling worden betrokken omdat deze pas in beroep is ingebracht.


4.6.1.

Voor zover de aanvraag van appellant betrekking heeft op de toekomst,

heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat een toekenning van een uitkering met ingang van een latere datum niet tot de mogelijkheden behoort. Daarbij bevat de door appellant overgelegde medische informatie volgens het Uwv geen nieuwe gegevens die aanleiding geven om de naar aanleiding van zijn eerste aanvraag vastgestelde beperkingen op de dag dat hij 17 jaar oud werd voor onjuist te houden.


4.6.2.

Uit de rapporten van Gerssen en Geurkink kan niet de conclusie worden getrokken dat appellant op de dag dat hij 17 jaar werd en in de periode van 52 weken hierop volgend meer beperkingen had dan waar het Uwv van uit is gegaan. Er zijn dan ook geen feiten en omstandigheden die aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv. Hieruit vloeit tevens voort dat er geen grond is voor het benoemen van een medisch deskundige.


4.7.

Het onder 4.5 en 4.6 overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van gronden.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) J.R. van Ravenstein




NK