Centrale Raad van Beroep, 12-10-2015 / 13/4329 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4238

Inhoudsindicatie
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en aansluitend loongerelateerde WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. . Vergoeding kosten in bezwaar. Omvang beroep is onjuist vastgesteld. Verzekeringsgeneeskundige onderbouwing in hoger beroep. geen onderschatting medische beperkingen. Juistheid FML. Juiste arbeidskundige grondslag. Proceskostenveroordeling in beroep en in hoger beroep
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-10-12
Publicatiedatum
2015-12-03
Zaaknummer
13/4329 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4329 WIA

Datum uitspraak: 12 oktober 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2013, 12/4025 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. Namens appellant is

mr. Küçükünal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

Het onderzoek is na de zitting heropend omdat het niet volledig is geweest.

Het Uwv heeft ter beantwoording van vragen van de Raad een rapport van 17 maart 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Namens appellant heeft mr. Küçükünal een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als bankwerker. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 18 mei 2010 ziek gemeld in verband met longklachten en psychische klachten.


1.2.

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

15 mei 2012 recht heeft op een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 30 juli 2012 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij vastgesteld dat appellant met ingang van

15 mei 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering die op 14 september 2012 eindigt. Met ingang van 15 september 2012 heeft appellant recht op een

WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Ten slotte heeft het Uwv besloten tot een vergoeding van de kosten van bezwaar.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de medische beperkingen van appellant na een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juli 2012. Hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht, gaf de rechtbank geen reden voor het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen per 15 mei 2012 voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar een verzekeringsgeneeskundig rapport van 24 april 2013 en verslagen van

17 en 24 september 2012 van de behandelend GZ-psycholoog V. Cannister. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen.


3.1.

Ter zitting is namens appellant desgevraagd verklaard dat aan het hoger beroep de volgende gronden ten grondslag liggen.

Het Uwv heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant pas na 15 mei 2012 psychische klachten zou hebben ontwikkeld. Ten onrechte zijn die psychische klachten buiten beschouwing gelaten. Appellant verzoekt de Raad een deskundige te benoemen. Voorts heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd dat appellant in staat is tot het verrichten van werk, ondanks zijn verslaving aan alcohol dan wel verdovende middelen. Evenmin heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat een dergelijke verslaving niet per definitie leidt tot ontslag bij een werkgever.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ambtshalve wordt vastgesteld dat appellant zijn beroep niet heeft beperkt tot het bestreden besluit voor zover daarbij door het Uwv is beslist over de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 mei 2012. De rechtbank heeft echter in de aangevallen uitspraak uitsluitend een oordeel gegeven over dit onderdeel van het bestreden besluit en heeft niet tevens beslist over het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 september 2012. Aldus heeft de rechtbank de omvang van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit onjuist vastgesteld. De aangevallen uitspraak zal daarom, als te zijn gegeven in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), worden vernietigd voor zover daarbij niet is beslist over dat onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 15 september 2012. In zoverre zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit tevens worden beoordeeld voor zover dat betrekking heeft op de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 15 september 2012.


4.2.1.

Eerst zal worden beoordeeld of de medische beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid op de beide data in geding, 15 mei 2012 en 15 september 2012, door het Uwv al dan niet zijn onderschat.


4.2.2.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voor zover dat betrekking heeft op de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2012, onzorgvuldig is geweest dan wel dat de uitkomsten daarvan onjuist zijn. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven.


4.2.3.

De beroepsgrond dat het Uw zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant pas na 15 mei 2012 toegenomen psychische klachten zou hebben ontwikkeld, wordt niet gevolgd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport van 18 december 2013 onder verwijzing naar de eerdere verzekeringsgeneeskundige rapporten nogmaals inzichtelijk uiteengezet dat ten tijde van de bezwaarprocedure bekend was dat appellant tot december 2011 in behandeling is geweest voor psychische klachten, waaronder de stoornis in de impulsbeheersing, dat appellant op 15 mei 2012 niet in behandeling was en dat hij in september 2012 wegens toegenomen klachten weer voor een intake is gezien bij Cannister.


4.2.4.

In hoger beroep is op verzoek van de Raad alsnog een verzekeringsgeneeskundige onderbouwing van het bestreden besluit gegeven voor zover het bestreden besluit ziet op de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 15 september 2012. Een dergelijke onderbouwing was, hoewel het bestreden besluit ook betrekking had op de datum 15 september 2012, immers niet aan het bestreden besluit zelf ten grondslag gelegd. In een rapport van 17 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat de bevindingen van Cannister bij het oriënterend onderzoek van de psyche in september en oktober 2012 geen aanleiding geven om per 15 september 2012 meer beperkingen in de FML op te nemen voor het persoonlijk en/of sociaal functioneren van appellant. In het bijzonder is er in dit rapport op gewezen dat de stoornis in de impulsbeheersing, waarvan volgens Cannister naar aanleiding van de intake sprake was, onder invloed van externe en persoonlijke factoren kan wisselen in ernst en dat in de FML rekening is gehouden met deze stoornis door het vaststellen van een aantal daarop afgestemde beperkingen in de rubrieken 1 en 2.


4.2.5.

De beroepsgrond dat onvoldoende is gemotiveerd dat appellant in staat wordt geacht tot het verrichten van werk, ondanks zijn verslaving aan alcohol en verdovende middelen wordt evenmin onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 april 2013 op grond van de verslagen van 17 en 24 september 2012 van Cannister inzichtelijk en voldoende onderbouwd dat de mate waarin appellant alcohol of andere verdovende middelen consumeert, drie flessen bier in de week en vier sigaretten wiet per dag, hem niet zodanig belemmert in zijn lichamelijk en psychisch functioneren dat arbeidsongeschiktheid moet worden aangenomen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen (medische) informatie overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit aspect.


4.2.6.

Hetgeen is overwogen onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 leidt tot de conclusie dat het Uwv de medische beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid op beide data in geding niet heeft onderschat in de FML.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van die FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het door haar beoordeelde onderdeel van het bestreden besluit, dat betrekking heeft op de datum 15 mei 2012, berust op een juiste arbeidskundige grondslag. In de arbeidskundige rapporten is op afdoende wijze gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde drie functies de belastbaarheid van appellant op die datum niet overschrijdt. Aan de hand van de mediane loonwaarde van deze functies is met juistheid een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld van 48,8%. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de vaststelling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 september 2012 - deze grondslag ontbreekt eveneens in het bestreden besluit - komt de Raad tot eenzelfde slotsom als die van de rechtbank over de datum 15 mei 2012. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn, gelet op de actualiseringsdata van na 15 september 2010, immers evenzeer van toepassing op de datum 15 september 2012.


4.4.

Wat in 4.2.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het Uwv met juistheid heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 15 mei 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en met ingang van 15 september 2012 op een

WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


5. Aangezien het Uwv eerst in hoger beroep een afdoende verzekeringsgeneeskundige motivering heeft gegeven over de gezondheidsituatie van appellant op 15 september 2012, is de conclusie gerechtvaardigd dat het bestreden besluit in zoverre ontoereikend is onderbouwd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 15 september 2012. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in zoverre vervolgens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van Awb in stand gelaten.


6. Op grond van artikel 8:75 van de Awb wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (beroepschrift en bijwonen zitting) en op € 1.225,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (beroepschrift, schriftelijke zienswijze en bijwonen zitting), in totaal € 2.205,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij niet heeft beslist over

het besluit van 30 juli 2012 voor zover daarbij appellant een WGA-vervolguitkering is

toegekend met ingang van 15 september 2012;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2012 gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 juli 2012 voor zover daarbij aan appellant een

WGA-vervolguitkering is toegekend met ingang van 15 september 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit van 30 juli 2012 in stand

blijven;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.205,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.J.W. Schoor, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2015.




(getekend) C.J.W. Schoor




(getekend) M. Crum




AP