Centrale Raad van Beroep, 17-02-2015 / 13-5951 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:426

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Voor dit oordeel kent ook de Raad betekenis toe aan wat appellante tegenover de sociale recherche heeft verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-17
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-5951 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5951 WWB, 13/5953 WWB

Datum uitspraak: 17 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 26 september 2013, 12/2440 en 12/2442 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Kampen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat, afzonderlijk hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft op 16 december 2014 plaatsgevonden. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. F. Jansen, kantoorgenoot van mr. Jap-A-Joe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten zijn gewezen echtgenoten. Uit hun huwelijk zijn vier kinderen geboren. Appellante ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante was met haar jongste dochter sinds 12 juni 2006 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] [nr. 41] te [woonplaats] (het uitkeringsadres). Appellant stond sinds 20 augustus 2003 in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2] [nr. 28] te [woonplaats] (het adres van appellant). Vanaf 9 juli 2003 was op dit adres de zoon van appellanten, [X.], al ingeschreven. Vanaf 11 januari 2007 was de dochter van appellanten, [Y.], tevens op dit adres ingeschreven.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante al jaren samenwoont met appellant heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, gegevens opgevraagd bij instanties, waarnemingen verricht bij de woning van appellante, buurtbewoners gehoord, een huisbezoek afgelegd bij appellant en appellanten verhoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 9 februari 2012.


1.3.

Gelet op de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 30 mei 2012 de bijstand van appellante met ingang van 12 juni 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 juni 2006 tot 1 januari 2012 tot een bedrag van € 83.951,89 van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft het college de kosten van de aan appellante verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 3 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 30 mei 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode vanaf 12 juni 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant zonder daarvan bij het college melding te maken. Appellante had geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de afzonderlijk ingestelde beroepen van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De door hen aangevoerde beroepsgronden houden samengevat in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie van het college dat van een gezamenlijke huishouding in de relevante periode sprake is geweest.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten vanaf 1 januari 2012 een gezamenlijke huishouding voeren, zodat de te beoordelen periode loopt van 12 juni 2006 tot en met

31 december 2011.


4.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.


4.3.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.


4.4.

Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.


4.5.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.6.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan.


4.7.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Voor dit oordeel kent ook de Raad betekenis toe aan wat appellante tegenover de sociale recherche heeft verklaard. Appellante heeft tijdens haar verhoor verklaard dat appellant al vanaf het moment dat zij op het uitkeringsadres is komen wonen, bijna elke dag bij haar is. Dit deel van haar verklaring vindt steun in de verklaringen van buurtbewoners rondom het uitkeringsadres en buurtbewoners rondom het adres van appellant. Deze verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en komen in grote lijnen met elkaar overeen. De bewoner van de [adres 1] [nr. 39] heeft onder meer verklaard dat hij al ruim 24 jaar op dit adres woont, dat appellanten een jaar of vier á vijf eerder op het uitkeringsadres zijn komen wonen, dat hij hen daar vaak ziet, dat ze netjes groeten, dat hij wel eens een praatje maakt met de kinderen, dat hij appellant via de achterdeur van de schutting naar binnen ziet gaan en dat hij appellanten in de zomer achter het huis wel ziet barbecueën. De bewoonster van [adres 1] [nr. 38] heeft onder meer verklaard dat zij zelf sinds 1973 op dat adres woont, dat op het uitkeringsadres sinds een jaar of vier á vijf een man, een vrouw en twee dochters wonen, dat er ook een zoon is, dat zij bij het uitlaten van de hond appellant en zijn zoon vaak ziet staan roken, dat zij appellant en zijn zoon regelmatig samen ziet thuiskomen, dat ze het gezin ’s zomers buiten hoort, dat ze dan ook ruikt dat ze barbecueën, en dat ze appellanten wel eens samen boodschappen uit de auto heeft zien laden. De bewoner van de [adres 2] [nr. 30] heeft verklaard dat hij sinds 2007 op dat adres woont, dat de woning op nummer 28 direct onder hem een soort spookhuis is, dat hij een man van Turkse komaf er heel af en toe heel kort wel eens ziet, meestal ’s ochtends vroeg, dat er het jaar ervoor gedurende een half jaar een jong gezin heeft gewoond, maar dat de woning daarvoor en daarna leeg heeft gestaan. De bewoner van de [adres 2] [nr. 36] heeft verklaard dat de woning op nummer 28, schuin onder zijn woning, sinds ongeveer een jaar leeg staat, dat er daarvoor een Turks stel heeft gewoond, waarvan de man [X.] heette, dat er daarvoor niemand woonde, dat hij appellant herkende als de vader van [X.], dat hij die kent als kennissen/vrienden die wonen in Kampen West, dat de vader niet in de [adres 2] gewoond heeft, maar dat hij volgens hem nog wel huurder is, omdat hij of [X.] daar nog wel eens post komen halen.


4.8.

Deze verklaringen van appellante en de buurtbewoners vinden voorts steun in de waarnemingen, die in de periode van 16 februari 2011 tot en met 10 januari 2012 zijn gedaan, waarbij de auto van appellant vaak, ook ’s ochtends vroeg, is aangetroffen bij of in de nabijheid van de woning van appellante.


4.9.

Mede in het licht van de genoemde onderzoeksbevindingen komt aan de door appellanten overgelegde getuigenverklaringen van de dochter van appellanten en een vriendin van appellante dat appellant in de te beoordelen periode vaak bij hen verbleef, niet die betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien. Deze verklaringen zijn bovendien in strijd met de verklaring die appellant zelf heeft afgelegd ten overstaan van de sociale recherche, waar hij desgevraagd heeft verklaard gedurende de te beoordelen periode op de

[adres 2] [nr. 28] te hebben gewoond.


4.10.

Wat onder 4.7 tot en met 4.9 is overwogen, leidt tot de conclusie dat appellanten in de te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en daarom een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres.


4.11.

Voor zover de reden van de aanwezigheid van appellant in de woning van appellante gelegen was - zoals appellant heeft gesteld - in het verlenen van zorg aan appellante en hun dochter met psychische problemen, dan wel in het voor de buitenwereld ophouden van de schijn dat geen sprake was van een scheiding, is dat voor de beoordeling van het thans voorliggende geschil niet van belang. Bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, moeten immers de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daarover en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing blijven.


4.12.

Uit 4.10 en 4.11 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) M.S. Boomhouwer



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.



HD