Centrale Raad van Beroep, 11-02-2015 / 13-6311 WMO


ECLI:NL:CRVB:2015:431

Inhoudsindicatie
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verhuiskostenvergoeding. Het college heeft de aanvraag van appellant afgewezen en dit besluit, na een medisch advies van het CIZ, in bezwaar gehandhaafd. De door appellant geclaimde valneiging kan onvoldoende worden geobjectiveerd. Er is daarom geen indicatie voor traploos wonen, dan wel verhuizing naar een traploze woning. Verder is niet gebleken van een telefonisch gedane toezegging aan appellant dat de gevraagde verhuiskostenvergoeding zal worden toegekend. De Raad oordeelt dat er niet is gebleken dat de adviesrapportage van de medisch adviseur onzorgvuldig tot stand is gekomen en voor twijfel aan de juistheid van de door hem getrokken conclusie bestaat ook geen aanleiding. De door appellant gestelde noodzaak voor verhuizing in verband met zijn sociale redzaamheid is niet nader onderbouwd. Met betrekking tot de gestelde telefonische toezegging dat een verhuiskostenvergoeding zou worden toegekend, is niet gebleken van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-6311 WMO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6311 WMO

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 november 2013, 11/2665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heusden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Voor appellant is verschenen mr. Van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G. van Hooijdonk en M. Hobo.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren [in] 1954, is bekend met beperkingen van cognitieve en locomotore aard. Appellant bewoonde een woning met een trap aan het [adres 1] te [woonplaats]. Appellant heeft op 25 februari 2009 een woningaanpassing (een douchezitje en beugels), alsmede een vergoeding van de kosten voor een noodzakelijke verhuizing aangevraagd. CIZ heeft vervolgens op 21 mei 2009 een adviesrapport uitgebracht, waarin na het opvragen van medische informatie bij de huisarts en overleg met de CIZ-arts onder meer is geconcludeerd dat er geen indicatie is voor verhuizing naar een woning vrij van traplopen. Het college heeft aan appellant bij besluit van 12 juni 2009 enkel een financiële tegemoetkoming in de kosten voor de woningaanpassing (douchezitje en beugels) toegekend. Op 21 oktober 2010 is appellant verhuisd van de woning aan het [adres 1] naar een aanleunwoning zonder trap in [adres 2] te [woonplaats]. Appellant heeft op 29 november 2010 een aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend voor een verhuiskostenvergoeding.


1.2.

Het college heeft bij besluit van 30 maart 2011 de aanvraag van appellant afgewezen.


1.3.

Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 30 maart 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan een adviesrapportage van CIZ, opgesteld door H.J. Dijkstra, medisch adviseur CIZ, van

28 maart 2011 ten grondslag gelegd. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de door appellant geclaimde valneiging onvoldoende kan worden geobjectiveerd. Er is daarom geen indicatie voor traploos wonen, dan wel verhuizing naar een traploze woning. Het college is voorts niet gebleken van een telefonisch gedane toezegging aan appellant dat de gevraagde verhuiskostenvergoeding zal worden toegekend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat er voor de verhuizing een noodzaak bestond vanwege het traploos moeten wonen en in verband met zijn sociale redzaamheid. Verder heeft een medewerker van het college voorafgaand aan de verhuizing telefonisch aan appellant toegezegd dat de verhuiskostenvergoeding zou worden toegekend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen grond is om het standpunt van het college dat er geen medische geobjectiveerde beperkingen zijn die kunnen leiden tot toekenning van een verhuiskostenvergoeding, onjuist te achten. Niet is gebleken dat de door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviesrapportage van de medisch adviseur onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarvoor is van belang dat de medisch adviseur dossieronderzoek heeft verricht, de door appellant overgelegde informatie, waaronder stukken van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst van 30 november 2010, heeft bestudeerd en dat de medisch adviseur appellant heeft gezien op het spreekuur. Voor twijfel aan de juistheid van de door de medisch adviseur getrokken conclusie bestaat geen aanleiding. In de door appellant in bezwaar overgelegde medische verklaring van zijn huisarts van 7 juni 2011 staat dat appellant last kan hebben van duizelingen en dat het zeer wenselijk zou zijn dat hij traploos zou kunnen wonen. Echter, een medische noodzaak voor het traploos wonen blijkt hieruit niet. Verder heeft appellant zijn standpunt dat er voor de verhuizing een noodzaak bestond in verband met zijn sociale redzaamheid niet nader onderbouwd. Ook de adviesrapportage biedt voor dat standpunt geen aanknopingspunten. Dit leidt tot de conclusie dat de adviesrapportage voldoende grondslag biedt voor de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van de aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding.


4.2.

De ter zitting bij de Raad gehandhaafde beroepsgrond inhoudende dat een medewerker van het college tijdens een telefonisch gesprek zou hebben toegezegd dat een verhuiskostenvergoeding zou worden toegekend kan niet leiden tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De desbetreffende medewerkster heeft ter zitting van de Raad immers onweersproken verklaard dat appellant voorafgaand aan zijn verhuizing met haar geen telefoongesprek heeft gevoerd over vergoeding van de te maken verhuiskosten. Verder heeft zij verklaard dat in het dossier van appellant ook niet staat vermeld dat appellant daarover met een andere medewerker van het college heeft gesproken. Gelet hierop komt de Raad tot de conclusie dat niet is gebleken van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan.


4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.














BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.




(getekend) M.F. Wagner




(getekend) W. de Braal





nk