Centrale Raad van Beroep, 02-12-2015 / 14-6021 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4362

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Juist deskundigenrapport. Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 augustus 2012 kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat de functies besteller post/pakketten (auto) en magazijn-, expeditie medewerker niet passen binnen de voor hem vastgestelde belastbaarheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-02
Publicatiedatum
2015-12-09
Zaaknummer
14-6021 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6021 WIA

Datum uitspraak: 2 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

16 september 2014, 12/1802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2015. Namens appellant is verschenen mr. Türk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is vanaf 26 juni 2007 werkzaam geweest als heftruckchauffeur op uitzendbasis voor 32,02 uren per week. Voor dat werk is hij op 6 januari 2010 uitgevallen wegens nierklachten. Op 7 december 2010 heeft hij een niertransplantatie ondergaan.


1.2.

Bij besluit van 23 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 4 januari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 6 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank (samengevat) overwogen dat de besluitvorming aanvankelijk berustte op medisch onderzoek dat onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. In beroep is de belastbaarheid van appellant naar aanleiding van door hem ingezonden medische informatie aangepast en nader vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 augustus 2012. Op basis van het rapport van 14 februari 2014 van de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijk deskundige nefroloog A.D. van Zuilen komt de rechtbank tot het oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv uiteindelijk niet te geringe medische beperkingen hebben aangenomen. Voor de verdere beoordeling is de rechtbank dan ook uitgegaan van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 7 augustus 2012. Vervolgens komt de rechtbank tot het oordeel dat de appellant voorgehouden functies blijven binnen de vastgestelde belastbaarheid en aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen van het Uwv geen toepassing hebben gegeven aan het verzekeringsgeneeskundig protocol Chronische nierschade (protocol). Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van zijn belastbaarheid zoals die is neergelegd in de FML van

7 augustus 2012. Hij mist een urenbeperking tot 4 uur per dag in verband met vermoeidheidsklachten en een beperking voor het gebruik van zijn schouder in verband met klachten aan het bewegingsapparaat. Ten slotte meent appellant dat de functies met de

SBC-codes 282102 (besteller post/pakketten (auto)) en 111220 (magazijn-, expeditiemedewerker) niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd.


4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Het hoger beroep van appellant is primair gericht op de overwegingen die de rechtbank hebben geleid tot de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Appellant bepleit dat het Uwv wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In hetgeen daartoe wordt aangevoerd kan onvoldoende aanleiding worden gevonden appellant daarin te volgen.


4.3.

De verschillende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verwezen wordt onder andere naar de rapporten van 7 juni 2012, 7 augustus 2012 en 3 september 2012) geven er voldoende blijk van dat het protocol is betrokken bij de beoordeling van de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding. De grond dat het protocol in het geheel niet is toegepast treft reeds om die reden geen doel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld 23 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6290) is een verzekeringsarts niet gehouden om in zijn of haar rapport elk punt van het protocol te benoemen. Protocollen, zoals het protocol Chronische nierschade, zijn immers slechts bedoeld als hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.


4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant niet is overschat met de beperkingen, zoals deze na aanpassing in beroep zijn neergelegd in de FML van 7 augustus 2012. Voor het aannemen van een urenbeperking zoals door appellant bepleit bestaat geen aanleiding.


4.5.

De door de rechtbank geraadpleegde nefroloog Van Zuilen heeft in zijn rapport van

14 februari 2014 geconcludeerd dat hij kan instemmen met de inschatting van de belastbaarheid van appellant zoals vermeld in de FML van 7 augustus 2012. Daartoe heeft hij aangegeven dat de door appellant ervaren vermoeidheidsklachten in beginsel kunnen worden veroorzaakt door een obstructief slaapapneu syndroom (OSAS), hypogonadisme, immuunsuppressiva en depressiviteit. Voor de immuunsuppressiva die appellant gebruikt is vermoeidheid als bijwerking beschreven, maar er zijn geen goede studies die de ernst kunnen objectiveren. Dat de vermoeidheid wordt veroorzaakt door hypogonadisme is niet waarschijnlijk, omdat substitutietherapie niet tot verbetering heeft geleid. Nu appellant zich voor zijn OSAS-klachten noch voor zijn depressiviteit onder behandeling heeft gesteld, ontbreekt ook voor deze mogelijke oorzaken van vermoeidheid een objectivering.


4.6.

Het standpunt van het Uwv in het verweerschrift dat objectivering van ziekte als oorzaak van vermoeidheidsklachten een bepalend vereiste is om tot verdergaande beperkingen van de belastbaarheid van appellant te kunnen concluderen, wordt onderschreven. Het ligt op de weg van appellant zijn stellingen verdergaand te onderbouwen dan in deze procedure het geval is geweest. De door appellant overgelegde adviezen van de verzekeringsarts-medisch adviseur E.C. van der Eijk van 26 juni 2012 en 30 augustus 2012 bevatten slechts een samenvatting van en een reactie op de voorhanden medische informatie en zijn niet gebaseerd op eigen onderzoek van appellant. Het behandelingsplan van 29 augustus 2012, opgesteld door mevrouw G.J.M. van Thiel, psychiatrisch verpleegkundige, is niet afkomstig van een psychiater. Aan de genoemde stukken kan niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Bovendien wordt daarin niet beargumenteerd dat en waarom er meer beperkingen zouden zijn, dan reeds aangenomen door het Uwv. De overgelegde informatie kan evenmin afdoen aan de bevindingen en conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige.


4.7.

In de periode gelegen tussen de niertransplantatie op 7 december 2010 en de schatting per 4 januari 2012 die nu ter beoordeling voorligt, heeft appellant voldoende gelegenheid gekregen om het advies op te volgen van de behandelend internist-nefroloog dr. J.I. Roodnat, die appellant heeft geadviseerd aan zijn conditie te werken.


4.8.

Met betrekking tot de door appellant gestelde schouderklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 april 2014 afdoende gemotiveerd dat deze klachten in deze beoordeling geen rol kunnen spelen, aangezien zij dateren van na de datum in geding.


4.9.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 augustus 2012 kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat de functies besteller post/pakketten (auto) en

magazijn-, expeditiemedewerker niet passen binnen de voor hem vastgestelde belastbaarheid.


4.10.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - wijst het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af.


Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en H.C.P. Venema en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015.




(getekend) E.W. Akkerman




(getekend) I. Mehagnoul




AP