Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14-4492 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4378

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Redelijke grond. Weigeren huisbezoek: Appellante wil één van de twee handhavingsspecialisten toelaten. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14-4492 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2016/27
Uitspraak

14/4492 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

30 juni 2014, 13/5103 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 1 juli 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat samen met haar kinderen ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA, thans Basisregistratie personen) op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Uit de relatie van appellante en [naam D.] (D) is [in] 2012 een tweede kind geboren, welk kind D ook heeft erkend.


1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante en D zouden samen wonen hebben handhavingsspecialisten van de gemeente Haarlemmermeer op 8 maart 2013 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse registraties geraadpleegd, verbruiksgegevens van het uitkeringsadres opgevraagd en appellante op

16 april 2013 gehoord. Aan het eind van het gesprek hebben de handhavingsspecialisten medegedeeld dat zij aansluitend aan het gesprek om 12.00 uur een huisbezoek op het uitkeringsadres zouden willen afleggen. Appellante heeft verklaard dat zij hieraan haar medewerking wilde verlenen.


1.3.

De handhavingsspecialisten zijn vervolgens omstreeks 12.00 uur op het uitkeringsadres verschenen. Na het openen van de deur heeft appellante medegedeeld dat slechts een van de handhavingsspecialisten haar woning in mocht. Uit het formulier toestemming huisbezoek van 16 april 2013 en het rapport van 7 januari 2014 blijkt onder meer het volgende: “De voordeur wordt geopend en dan wordt ons de wacht toegeroepen door cliënte. Cliënte vertelt in woorden van gelijke verstrekking: ‘stop, u kunt niet allebei naar binnen. Een van jullie mag erin. Omdat er twee medewerkers van gemeente Haarlemmermeer aanwezig zijn, wil ik ook een volwassene erbij hebben’. Rapporteurs leggen uit dat vanwege veiligheidsoverwegingen het niet is toegestaan dat er maar één medewerker de woning betreedt. […] Ter plaatse hebben rapporteurs cliënte de mogelijkheid gegeven om opnieuw te kunnen afwegen of zij alsnog toestemming voor het afleggen van het huisbezoek wil geven door iemand te bellen of iemand anders in te schakelen om haar bij te staan bij dit huisbezoek. Cliënte volharde in de weigering en verleende geen toestemming voor het huisbezoek. Vervolgens is weer aan cliënte uitgelegd, dat het niet verlenen van toestemming voor het huisbezoek gevolgen heeft voor haar bijstandsuitkering. […] Geen toestemming verlenen houdt in, dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld en dat de uitkering per 16-4-2013 wordt beëindigd. Doordat cliënte wederom geen toestemming voor het huisbezoek heeft gegeven, is haar medegedeeld dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.”.


1.4.

Bij besluit van 24 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 16 april 2013 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting om de nodige inlichtingen te verstrekken of desgevraagd medewerking te verlenen die nodig is om de WWB uit te voeren, aangezien zij een huisbezoek heeft geweigerd. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.


4.2.

Indien de belanghebbende de inlichtingen- of medewerkings-verplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.


4.3.

De grond van appellante dat er geen aanleiding was voor het op 8 maart 2013 ingestelde onderzoek van het college, slaagt niet. Op grond van artikel 53a van de WWB, zoals van toepassing ten tijde hier van belang, is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Gelet hierop valt niet in te zien dat het college niet op enig moment een onderzoek mocht instellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante (vergelijk de uitspraak van 11 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2723).


4.4.1.

Appellante heeft verder aangevoerd dat er onvoldoende aanleiding was om een huisbezoek te doen plaatsvinden. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 31 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3180) volgt dat aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake indien voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.


4.4.2.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het college een redelijke grond had voor het afleggen van een huisbezoek. Op basis van het hoge waterverbruik in de periode van

6 februari 2009 tot 18 februari 2013 van totaal 641 m3 en de verklaring van appellante van

16 april 2013 dat D elke dag mag komen en dat ze dan leuke dingen doen als een familie, dat D ook blijft slapen, dat D een sleutel van de woning heeft en dat de buren zullen kunnen denken dat D er woont, was er redelijkerwijs aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door appellante verstrekte informatie dat zij op het uitkeringsadres alleen met haar twee kinderen woont. Het was dan ook noodzakelijk voor het college om aansluitend aan het gesprek op 16 april 2013 de woning van appellante te bezichtigen.


4.5.

Het betoog van appellante dat geen sprake is van een weigering van het huisbezoek omdat één van de handhavingsmedewerkers haar woning mocht betreden en haar woonsituatie dan ook kon worden vastgesteld, slaagt niet. Het is immers niet aan appellante om te bepalen op welke wijze het college haar woonsituatie onderzoekt. Het college hanteert bij huisbezoeken de vaste werkwijze dat dit door twee personen moet worden afgelegd. Appellante heeft ter zitting van de Raad verklaard dat zij bekend was met de gang van zaken van een huisbezoek en dat zij eerder wel heeft meegewerkt aan huisbezoeken afgelegd door twee medewerkers. Uit 1.3 blijkt dat appellante ook nadat zij in de gelegenheid is gesteld iemand te bellen of in te schakelen om haar bij te staan en nadat zij is gewezen op de consequenties van een weigering van het huisbezoek, heeft volhard in haar weigering mee te werken aan het huisbezoek. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat appellante medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Daarbij komt dat appellante ter zitting van de Raad verder heeft verklaard dat het huisbezoek op 16 april 2013 niet zozeer mis is gelopen door het aantal medewerkers maar vanwege de wijze waarop zij door de handhavingsspecialisten zou zijn bejegend. Appellante heeft de mededelingen van de handhavingsspecialisten over de consequenties van het niet meewerken aan het huisbezoek en de toelichting waarom zij niet alleen naar binnen zouden gaan als intimiderend ervaren. De door appellante geschetste gang van zaken op 16 april 2013 is echter niet toereikend om te oordelen dat de handhavingsspecialisten zich zodanig onbehoorlijk hebben gedragen dat het huisbezoek in dit geval niet redelijkerwijs van appellante kon worden verlangd. Het vereiste van ‘informed consent’ brengt immers met zich mee dat de handhavingsspecialisten voorafgaand aan een huisbezoek de betrokkene moeten wijzen op de gevolgen van het niet instemmen met een huisbezoek. De gedingstukken bevatten verder geen aanwijzingen voor onbehoorlijk gedrag en appellante heeft ook geen klacht ingediend tegen de betrokken handhavingsspecialisten.


4.6.1.

Appellante heeft, tot slot, aangevoerd dat de handhavingsspecialisten in strijd met het protocol huisbezoek Haarlemmermeer hebben gehandeld omdat aan haar geen bedenktijd van vijftien minuten is gegeven om terug te komen op een geweigerd huisbezoek.


4.6.2.

Blijkens de in 1.3 vermelde feiten en omstandigheden kreeg appellante na haar eerste weigering van medewerking aan het huisbezoek de mogelijkheid om af te wegen alsnog toestemming te geven en iemand op te bellen dan wel er bij te halen. Weliswaar is de daarvoor gegeven tijdspanne niet opgenomen in de rapportage maar vaststaat dat appellante in de weigering volhardde. Onbetwist is verder dat appellante, nadat haar was meegedeeld dat deze weigering tot gevolg kan hebben dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, voor een tweede keer heeft volhard in haar weigering. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan in dit geval niet gezegd worden dat appellante in onvoldoende mate gelegenheid is geboden om terug te komen op een geweigerd huisbezoek.


4.7.

Als gevolg van haar weigering heeft appellante de op haar rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden, waardoor het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. Dit maakt dat het college bevoegd was de bijstand met ingang van 16 april 2013 in te trekken.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4.9.

Gelet op 4.8 bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe van appellante zal daarom worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) C. Moustaïne



HD