Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14-5255 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4379

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Verzwegen spaarrekening. Niet overleggen van gegevens. Spaarrekening is relevant voor verlening van bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14-5255 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5255 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

11 augustus 2014, 13/4631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Namens appellant is mr. Van Heijningen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl en mr. M.R. Schuurman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 31 oktober 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het college bij brief van 12 juni 2013 appellant onder meer verzocht uiterlijk op 19 juni 2013 de afschriften van alle op zijn naam staande bankrekeningen over de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 juni 2013 te verstrekken.


1.3.

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 19 juni 2013 opgeschort op de grond dat appellant niet de gevraagde stukken heeft verstrekt. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om vóór 28 juni 2013 de gevraagde stukken te verstrekken.


1.4.

Appellant heeft op 28 juni 2013 diverse stukken, waaronder afschriften van zijn

ING-betaalrekening, ingeleverd. Uit deze bankafschriften blijkt dat appellant ook een spaarrekening op zijn naam heeft staan, waarvan hij geen bankafschriften aan het college heeft verstrekt.


1.5.

Bij besluit van 18 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 19 juni 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant weliswaar bankafschriften van zijn

betaalrekening heeft overgelegd, maar geen melding heeft gemaakt van zijn spaarrekening en hiervan ook geen afschriften heeft overgelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de intrekking van de bijstand ingaande 19 juni 2013 in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellant verleende bijstand, staat ter beoordeling of appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellant niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

Vaststaat dat appellant van de spaarrekening de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellant heeft niet gesteld, en evenmin is gebleken, dat hij binnen de gestelde termijn niet over die gegevens heeft kunnen beschikken.


4.4.

Het betoog van appellant dat hij met de op 28 juni 2013 overgelegde afschriften van de ING-betaalrekening voldoende inzicht heeft gegeven in de daaraan gekoppelde spaarrekening en daarmee in zijn financiële situatie, faalt. Uit de overgelegde afschriften van de betaalrekening blijkt enkel dat bedragen van en naar de spaarrekening worden bij- en afgeschreven. De afschriften van de betaalrekening geven echter geen inzicht in de saldi op de spaarrekening. Deze saldi zijn evident van belang voor het recht op bijstand.


4.5.

De grond van appellant dat de afschriften van de spaarrekening niet relevant zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand, omdat uit de in bezwaar overgelegde afschriften blijkt dat de spaarrekening niet aan verlening van de bijstand in de weg staat, slaagt niet. Het college heeft bij de afweging van de rechtstreeks bij het besluit tot intrekking van bijstand betrokken belangen terecht hiermee geen rekening gehouden. In dit verband verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) op grond waarvan in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of stukken die na het verstrijken van de bij een opschortingsbesluit gestelde termijn alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellant aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die hij redelijkerwijs niet binnen de gestelde hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. Gelet op wat in 4.3 is overwogen bestaat daarvoor geen aanleiding.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) C. Moustaïne



HD