Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14-2716 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4385

Inhoudsindicatie
Maatregel omdat appellant de door het college aangeboden voorziening gericht op werk, niet of onvoldoende had gebruikt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14-2716 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2716 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 april 2014, 13/2506 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 oktober 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Het college heeft in overleg met appellant hem in het kader van zijn arbeidsverplichtingen op 20 december 2012 aangemeld bij het project [naam project] . Appellant is hierbij geïnformeerd over de aard van de werkzaamheden en over de voorwaarden. Hij is op

9 januari 2013 begonnen met de werkzaamheden bij [naam project] .


1.3.

Bij besluit van 28 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 1 maart 2013 de bijstand van appellant bij wijze van maatregel gedurende één maand met 100% verlaagd, op de grond dat appellant de door het college aangeboden voorziening gericht op werk, niet of onvoldoende had gebruikt. Het college heeft daaraan - voor zover thans nog van belang - ten grondslag gelegd dat appellant op zijn eerste dag bij [naam project] ondanks een waarschuwing dermate negatief en ongewenst gedrag vertoonde, dat hij na anderhalf uur is gesommeerd de bedrijfshal te verlaten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover hier van belang en

samengevat - overwogen dat de gedragingen die appellant worden verweten voldoende zijn komen vast te staan, hoewel daarvan niet aanstonds schriftelijke verslaglegging heeft plaatsgevonden. De teamleider bij [naam project] heeft de gedragingen van appellant telefonisch doorgegeven aan de casemanager en deze heeft de gedragingen op schrift gesteld. De leading teamleider kon een en ander niet meer bevestigen, doordat hij niet meer bij PostNLwerkte, maar een andere teamleider heeft schriftelijk bevestigd dat hij van de gedragingen van appellant getuige is geweest. Appellant luisterde niet naar instructies van de teamleiders en weigerde zijn mobiele telefoon af te geven. Hij verliet zonder overleg de werkvloer om naar het toilet te gaan, terwijl overleg nodig was om te voorkomen dat het productieproces stagneerde. Ook liet hij zich negatief uit over de werkzaamheden jegens andere werknemers. Appellant is op de ongewenstheid van zijn gedrag aangesproken. Toen appellant werd aangesproken op zijn lage werktempo, was hij verbaal zeer negatief jegens de teamleiders. Ondanks een waarschuwing bleef hij negatief en ongewenst gedrag vertonen. Daarom is hij weggestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen volledig verwijtbaar.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college ten onrechte is uitgegaan van de gedragingen zoals in de aangevallen uitspraak vermeld. Volgens appellant zijn deze niet komen vast te staan. Hij ondervond problemen met het productieproces, maar heeft zich niet ontoelaatbaar gedragen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant zich verwijtbaar heeft gedragen tijdens de eerste dag van zijn werkzaamheden bij [naam project] .


4.2.

De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat het college heeft kunnen uitgaan van de gedragingen zoals die door de casemanager op schrift zijn gesteld. Appellant heeft niet gemotiveerd op grond waarvan dit oordeel van de rechtbank onjuist is. Appellant heeft zijn stelling dat hij zich niet aan de bedoelde gedragingen heeft schuldig gemaakt niet onderbouwd.


4.3.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd over zijn problemen met het productieproces, wat daar ook van zij, niet afdoet aan de verwijtbaarheid van zijn gedrag. Appellant heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) J.L. Meijer




HD