Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 13-5238 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:440

Inhoudsindicatie
Toepassing Vakantieregeling. De artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder e, en 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW zijn dwingendrechtelijke bepalingen en bieden geen ruimte om rekening te houden met de redenen waarom appellant buiten Nederland heeft verbleven. Dat appellant zijn stelling dat hij buiten zijn schuld in het buitenland heeft verbleven niet heeft onderbouwd is dan ook, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet relevant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-19
Zaaknummer
13-5238 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/5238 WW

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2013, 12/7060 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Naar aanleiding van de opgave van appellant dat hij van 4 november 2011 tot en met 21 november 2011 met vakantie gaat, heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2011, met toepassing van de Vakantieregeling WW en IOW (Vakantieregeling), twaalf dagen aangemerkt als vakantiedagen en bepaald dat de WW-uitkering van appellant over die dagen wordt doorbetaald.


1.2.

In april 2012 is gebleken dat appellant van 28 december 2011 tot en met 7 april 2012 in het buitenland heeft verbleven. Bij besluit van 24 april 2012 heeft het Uwv, wederom met toepassing van de Vakantieregeling, de periode van 28 december 2011 tot en met

29 januari 2012 aangemerkt als vakantie, bepaald dat de WW-uitkering van appellant over die periode wordt doorbetaald en dat de WW-uitkering per 8 april 2012 wordt heropend. Bij besluit van eveneens 24 april 2012 heeft het Uwv de WW-uitkering over de periode van

30 januari 2012 tot en met 7 april 2012 ingetrokken op de grond dat daarop geen recht bestaat omdat appellant in het buitenland heeft verbleven anders dan wegens vakantie.


1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 24 april 2012. Bij besluit van

25 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zijn stelling dat hij buiten zijn schuld te lang in het buitenland heeft verbleven, wat daar verder ook van zij gelet op de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 19, eerste lid, van de WW, niet heeft onderbouwd. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat in het kader van de WW vakantiedagen die aan het einde van het kalenderjaar over zijn, niet kunnen worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar. Voor toetsing van het bestreden besluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, gezien het karakter van de Vakantieregeling, geen plaats. De rechtbank heeft tot slot de stelling van appellant dat sprake is van discriminatie, omdat werkenden ongebruikte vakantiedagen wel kunnen meenemen naar een volgend kalenderjaar, verworpen. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 7:640a van het Burgerlijk Wetboek, waar appellant naar verwijst, betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst en dat deze bepaling over vakantierechten niet op de werkloze in de WW van toepassing is. Van een gelijke positie van werkenden en werkloze werknemers is daarom geen sprake.


3. Appellant heeft in hoger beroep zijn reeds in de bezwaar- en beroepsfase aangevoerde gronden herhaald. Appellant heeft ten eerste gesteld dat hij gedurende de periode van

28 december 2011 tot en met 7 april 2012 buiten zijn schuld langer dan voorzien in het buitenland heeft verbleven, hetgeen in redelijkheid niet aan hem kan worden toegerekend. Appellant heeft ten tweede, met verwijzing naar artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, betoogd dat het Uwv in redelijkheid niet tot het bestreden besluit had kunnen komen en meer gewicht had moeten toekennen aan zijn belangen. In dat kader heeft appellant gesteld dat het niet meer dan redelijk zou zijn om hem de mogelijkheid te geven de in 2011 ongebruikte vakantiedagen in 2012 alsnog op te nemen. Ten derde heeft appellant gesteld dat sprake is van discriminatie, omdat het voor werkloze werknemers niet mogelijk is om ongebruikte vakantiedagen mee te nemen naar een volgend kalenderjaar en voor werkende werknemers wel. Daarmee is sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling, aldus appellant.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


4.2.

De eerste beroepsgrond van appellant slaagt niet. De artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder e, en 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW zijn dwingendrechtelijke bepalingen en bieden geen ruimte om rekening te houden met de redenen waarom appellant buiten Nederland heeft verbleven. In dit verband wordt ook verwezen naar een uitspraak van de Raad van 15 oktober 1991 (ECLI:NL:CRVB:1991:AK9462). Dat appellant zijn stelling dat hij buiten zijn schuld in het buitenland heeft verbleven niet heeft onderbouwd is dan ook, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet relevant.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank over de tweede en derde door appellant aangevoerde grond en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Volstaan wordt met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.


4.4.

Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) M.P. Ketting




nk