Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14-7200 BBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:4407

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag Bbz 2004. Niet levensvatbaar bedrijf.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14-7200 BBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/7200 BBZ

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 november 2014, 14/3157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Marsman-de Jong en

J.L. van Meeteren.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant exploiteerde sinds 29 augustus 2011 het bedrijf [naam bedrijf] (hierna: bedrijf). In verband hiermee heeft het college over de periode van 17 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2013 een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) verleend, aanvankelijk aan appellant als startende zelfstandige en, nadat het college het bedrijf op grond van een daartoe strekkend advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) als niet levensvatbaar had aangemerkt, vanaf 16 februari 2013 aan appellant als beëindigende zelfstandige.


1.2.

Op 15 oktober 2013 heeft appellant opnieuw een aanvraag op grond van het Bbz 2004 ingediend om het bedrijf te kunnen voortzetten. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 11 november 2013 afgewezen, op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar was. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op een advies van DR Consultancy B.V. (DRC) van eveneens 11 november 2013. Uit dit advies kwam onder meer naar voren dat het bedrijf reeds vanaf de start onvoldoende omzet had, dat appellant onvoldoende commerciële en financiële vaardigheden had en dat een concreet plan van aanpak ter verbetering van die situatie ontbrak.


1.3.

In bezwaar heeft appellant een ondernemingsplan overgelegd. In reactie daarop heeft het college het IMK gevraagd om een nader advies uit te brengen. Het IMK heeft in een advies van 14 april 2014, in aansluiting op het advies van DRC, geconcludeerd dat onvoldoende grond bestaat om het bedrijf levensvatbaar te achten. Daarbij heeft het IMK gewezen op de schuldenpositie, de financiële ontwikkeling in het laatste kwartaal van 2013, de ongunstige marktomstandigheden, de redelijk hoge bedrijfskosten, het gebrekkige ondernemingsplan en de beperkte ondernemerscapaciteiten van appellant.


1.4.

Bij besluit van 5 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 november 2013 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college, onder verwijzing naar de adviezen van DRC en het IMK, overwogen dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat zijn bedrijf, dat inmiddels is beëindigd, wel levensvatbaar was. Verder heeft hij aangevoerd dat de resultaten van het bedrijf waren beïnvloed door buiten hem zelf gelegen factoren, zoals een schuld ten gevolge van een ten onrechte betaalde en teruggevorderde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Appellant meent voorts dat het advies van het IMK niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het college zich terecht op basis van de uitgebrachte adviezen op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar was.


Levensvatbaarheid


4.2.

Een levensvatbaar bedrijf is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden. Het gaat in dit geval dus om de verwachting op 11 november 2013 over de toekomst van het bedrijf.


Adviezen


4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2618) is een bijstandverlenend orgaan in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties, zoals DRC en het IMK. Een dergelijk advies moet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, mag geen feitelijke onjuistheden bevatten en moet deugdelijk zijn gemotiveerd.


4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd zijn geen concrete aanknopingspunten aanwezig om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de adviezen of aan de inhoud daarvan. Het IMK heeft terecht de cijfers over het eerste kwartaal van 2014 niet betrokken bij zijn onderzoek. Voorts heeft het IMK weliswaar in het bijzonder de cijfers over het laatste kwartaal van 2013 in aanmerking genomen, maar daarbij tevens het advies van DRC betrokken. Voorts is niet gebleken dat de adviezen feitelijke onjuistheden bevatten of ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Appellant heeft geen objectieve gegevens ingebracht die zijn stelling dat het bedrijf levensvatbaar was afdoende onderbouwen. Het tijdens de bezwaarprocedure overgelegde ondernemingsplan, waarin gunstige prognoses zijn opgenomen, is daartoe onvoldoende. Louter eigen verwachtingen van de ondernemer omtrent de te verwachten omzet en over de levensvatbaarheid vormen onvoldoende basis voor het toekennen van een bedrijfskrediet en/of periodieke bijstand als zelfstandige.


Oordeel


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college het standpunt dat het bedrijf niet levensvatbaar was heeft kunnen baseren op de adviezen van DRC en het IMK.


4.6.

De gebeurtenissen die vooraf zijn gegaan aan het besluit op de aanvraag, zoals door appellant beschreven in een door hem overgelegd chronologisch verslag, leiden niet tot het oordeel dat het standpunt van het college over de levensvatbaarheid van het bedrijf onjuist is. Met name de omstandigheid dat appellant in moeilijke financiële omstandigheden verkeerde doordat hij - buiten zijn schuld ten onrechte ontvangen - WW-uitkering diende terug te betalen, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het bedrijf van appellant wel levensvatbaar was. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant ten tijde van het besluit op de aanvraag niet voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van Bbz 2004.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) J.L. Meijer




HD