Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14-4244 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4410

Inhoudsindicatie
Bijstandsaanvraag buiten behandeling gelaten. Niet tijdig overleggen van gevraagde bankafschriften.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14-4244 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4244 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2014, 14/3150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Issa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 oktober 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 29 november 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft het college de bijstand met ingang van 1 december 2012 ingetrokken. Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het college voorts de bijstand over de periode van 29 november 2007 tot en met 30 november 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 54.412,20 van appellante teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante sinds 29 november 2007 beschikte over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Appellante heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten in rechte zijn komen vast te staan.


1.3.

Appellante heeft op 16 oktober 2013 een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft de afdeling SZW Support van de gemeente Den Haag (de afdeling) appellante bij brief van 16 oktober 2013 verzocht om de in die brief genoemde gegevens voor 30 oktober 2013 over te leggen. Het ging daarbij onder meer om afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van de laatste twaalf maanden en informatie met betrekking tot de woning in het buitenland. De afdeling heeft appellante er onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op gewezen dat als zij niet op tijd reageert of niet alle gegevens inlevert, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.


1.4.

Bij besluit van 15 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van

artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet voor 30 oktober 2013 alle door het college gevraagde gegevens heeft overgelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand is inzicht vereist in de financiële positie van betrokkene, ook over de direct aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Het college heeft bij brief van 16 oktober 2013 terecht verzocht om inzage van de in 1.3 bedoelde afschriften. Op grond van de gedingstukken kan worden vastgesteld dat appellante de beschikking had over twee ING-betaalrekeningen. Appellante heeft van de betaalrekening [rekeningnummer 1] weliswaar afschriften verstrekt, maar de afschriften met volgnummers 3 en

5 ontbraken. Bovendien is de periode van 12 juni 2013 tot 8 juli 2013 van deze betaalrekening ook niet met afschriften inzichtelijk gemaakt. Van de betaalrekening [rekeningnummer 2] heeft appellante geen enkel afschrift verstrekt. Daarmee staat vast dat appellante binnen de gegeven hersteltermijn niet alle gevraagde bankafschriften van haar rekeningnummers heeft overgelegd.


4.3.

De beroepsgrond van appellante dat het college steeds om verkeerde informatie heeft gevraagd treft geen doel. In de brief van 16 oktober 2013 heeft het college duidelijk vermeld welke stukken appellante diende over te leggen. Bovendien is niet gebleken dat appellante binnen de gegeven hersteltermijn om uitleg heeft gevraagd omdat iets niet duidelijk was dan wel om uitstel of om een nadere termijn heeft verzocht om die gegevens alsnog over te mogen leggen. De leeftijd van appellante en haar gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal kunnen, wat daarvan ook zij, aan dit oordeel niet afdoen.


4.4.

Appellante heeft na het besluit van 15 november 2013 in de bezwaarfase nog enige stukken overgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 6 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3160) brengt de aard en de inhoud van een primair besluit tot het buiten behandeling stellen van een aanvraag om bijstand mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college reeds gelet op het niet tijdig overleggen van alle gevraagde afschriften van de betaalrekeningen bevoegd was om de aanvraag van

16 oktober 2013 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Wat appellante heeft aangevoerd over de stukken met betrekking tot de woning in het buitenland, die het college eveneens had opgevraagd, zal de Raad daarom onbesproken laten.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C.M. Fleuren



HD