Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 14/7119 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4418

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Appellante heeft onvoldoende controleerbaar en verifieerbaar inzicht gegeven in hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaande aan de aanvraag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14/7119 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/7119 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 november 2014, 14/3075 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. El Ahmadi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 27 december 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.


1.2.

Bij besluit van 27 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 april 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg hiervan heeft het college niet kunnen vaststellen of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en onderschreven dat appellante onjuiste en onvolledige inlichtingen heeft verstrekt over haar leef- en financiële situatie, in het bijzonder over de wijze waarop zij in haar levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan de aanvraag van bijstand. Nu het gaat om een aanvraag is het aan appellante om de nodige bewijsstukken over te leggen, waardoor het college kan vaststellen of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het ontbreken van dergelijk bewijs komt voor risico van appellante.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat vaststaat dat zij geen huur en andere vaste lasten heeft betaald omdat dit door de (hoofd)huurder van haar woonadres werd gedaan. Zij stelt verder bij familieleden te hebben gegeten en heeft voorts aangekondigd verklaringen van familieleden over te leggen die kunnen bevestigen dat zij haar hebben geholpen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Met verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 15 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987) heeft zij er ten slotte op gewezen dat de opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, in het algemeen niet als inkomen wordt aangemerkt. Zij hoefde van de goederen die door haar via Marktplaats zijn verkocht in beginsel dus ook geen mededeling te doen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 27 december 2013 tot en met 27 januari 2014.


4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Hier gaat het vooral om de vraag hoe appellante, afgezien van de woonlasten, in haar levensonderhoud heeft voorzien. Het gaat dan om (kosten van) eten, drinken en andere persoonlijke uitgaven.


4.3.

Appellante heeft in hoger beroep, anders dan zij in het beroepschrift heeft aangekondigd, geen verklaringen van familieleden in het geding gebracht om aan te tonen dat die in haar levensonderhoud hebben voorzien. Appellante heeft bij de behandeling van haar aanvraag om bijstand verklaard dat zij veel spullen heeft verkocht via Marktplaats. Nadien heeft zij dit sterk gerelativeerd. Een nadere onderbouwing van die stelling is ook in hoger beroep achterwege gebleven, zodat niet valt vast te stellen of van incidentele verkoop van privégoederen - als bedoeld in de onder 3 genoemde uitspraak van de Raad - dan wel handel sprake is. Ook van haar inkomsten in november 2013, die volgens een mededeling ter zitting van mr. Ahmadi € 150,- bedroegen, heeft zij geen bewijsstukken overgelegd.


4.4.

De slotsom luidt dat appellante onvoldoende controleerbaar en verifieerbaar inzicht heeft gegeven in hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaande aan de aanvraag. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting valt niet vast te stellen of en, zo ja, in welke mate appellante in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.


4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C.M. Fleuren



HD