Centrale Raad van Beroep, 08-12-2015 / 13/6717 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4419

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand na opschorting. Dat het dagelijks bestuur na het onderzoek van de sociale recherche in september 2012 al volledig op de hoogte was van alle bankrekeningen op naam van appellante en dat zij het dagelijks bestuur heeft geïnformeerd over haar bevoegdheden als boedelgemachtigde, laat, wat daarvan zij, onverlet dat appellante het dagelijks bestuur over die (mede) op haar naam staande bankrekeningen nader diende te informeren, in het bijzonder over de mutaties op die rekeningen in de periode van zes maanden voorafgaande aan het besluit tot opschorting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-08
Publicatiedatum
2015-12-15
Zaaknummer
13/6717 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6717 WWB

Datum uitspraak: 8 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 november 2013, 13/6784, 13/6783 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend, vragen beantwoord en stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Appellante is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Brands.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van een bijzondere controle op de rechtmatigheid van de aan haar verstrekte bijstand heeft de sociale recherche Noord Veluwe (sociale recherche) een onderzoek ingesteld, waarbij de Belastingdienst om nadere informatie is gevraagd over bankrekeningen en vermogen op naam van appellante. Voorts is appellante op 17 september 2012 gehoord. Bij besluit van 25 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2013, heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB, vanaf 17 juni 2013 opgeschort. Appellante is daarbij in de gelegenheid gesteld, voor zover nog in geding, eerder opgevraagde afschriften van een drietal bankrekeningen vóór 9 juli 2013 in te leveren. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 7 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit), met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, de bijstand van appellante met ingang van 17 juni 2013 ingetrokken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft het beroep tegen de opschorting van het recht op bijstand ingetrokken, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 17 juni 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.


4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.


4.3.

De door het dagelijks bestuur bij besluit van 25 juni 2013 aan appellante gevraagde bankafschriften zijn gegevens die van belang zijn voor de verlening van de bijstand. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen, rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Daarmee is gegeven dat die gegevens van belang (kunnen) zijn voor het recht op en de hoogte van de bijstand. Verder staat vast dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet binnen de gestelde hersteltermijn over die bankafschriften heeft kunnen beschikken.


4.4.

De stelling van appellante dat haar op de hoorzitting van 28 augustus 2013 een verlengde hersteltermijn is gegeven, vindt geen steun in het verslag van de hoorzitting.


4.5.

Dat het dagelijks bestuur na het onderzoek van de sociale recherche in september 2012 al volledig op de hoogte was van alle bankrekeningen op naam van appellante en dat zij het dagelijks bestuur heeft geïnformeerd over haar bevoegdheden als boedelgemachtigde, laat, wat daarvan zij, onverlet dat appellante het dagelijks bestuur over die (mede) op haar naam staande bankrekeningen nader diende te informeren, in het bijzonder over de mutaties op die rekeningen in de periode van zes maanden voorafgaande aan het besluit tot opschorting.


4.6.

Ook de stelling van appellante dat - zo al zou moeten worden aangenomen dat zij de inlichtingenverplichting verwijtbaar heeft geschonden - de intrekking van de bijstand als sanctie ten onrechte niet is afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan haar kan worden verweten en de omstandigheden van het geval, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1423) zijn de bevoegdheden tot opschorting en intrekking van (het recht op) bijstand met toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB immers bedoeld als dwangmiddel tot nakoming van de op de bijstandsgerechtigde rustende wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken. Van een bestraffende sanctie is derhalve geen sprake, zodat afstemming niet aan de orde is.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


4.8.

Voor een veroordeling tot vergoeding van schade is onder deze omstandigheden geen plaats, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C.M. Fleuren



HD