Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 13-5653 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:442

Inhoudsindicatie
Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellante in de periode van 10 juli 2012 tot en met 3 augustus 2012 vier sollicitaties heeft verricht. Daarmee heeft zij voldaan aan haar sollicitatieverplichting. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad het in het bestreden besluit van 13 december 2012 neergelegde standpunt dan ook niet gehandhaafd. Proceskostenveroordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-5653 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5653 WW

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2013, 12/6422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van Dijk hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is tot 10 mei 2012 werkzaam geweest bij [werkgeefster]. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 25 mei 2012 met ingang van 10 mei 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In een Werkplan van 11 mei 2012 heeft het Uwv de verplichting voor appellante neergelegd om minimaal vier sollicitatieactiviteiten per vier weken door te geven. De WW-uitkering is in verband met werkhervatting geëindigd met ingang van 4 juni 2012 en herleefd met ingang van 10 juli 2012.


1.2.

Bij besluit van 19 oktober 2012 heeft het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 8 oktober 2012 voor de duur van vier maanden gekort met 25%, op de grond dat appellante in de periode van 9 juni 2012 tot en met 3 augustus 2012 onvoldoende heeft gesolliciteerd. Bij beslissing op bezwaar van 13 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit gesteld dat appellante in de - gewijzigd

vastgestelde - periode van 10 juli 2012 tot en met 3 augustus 2012 niet heeft voldaan aan haar sollicitatieverplichting, waardoor zij artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft overtreden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellante in de periode van 10 juli 2012 tot en met 3 augustus 2012 vier sollicitaties heeft verricht. Daarmee heeft zij voldaan aan haar sollicitatieverplichting. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad het in het bestreden besluit van 13 december 2012 neergelegde standpunt dan ook niet gehandhaafd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Nu het Uwv het in het bestreden besluit neergelegde standpunt niet handhaaft, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De Raad zal zelf voorzien en het besluit van

19 oktober 2012 herroepen. Daarmee vervalt de opgelegde maatregel van 25% gedurende vier maanden.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 december 2012;
  • - herroept het besluit van 19 oktober 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 december 2012;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

€ 974,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) M.P. Ketting




nk