Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 13-6719 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:443

Inhoudsindicatie
Berekening aflossingscapaciteit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-6719 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/6719 WW

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 november 2013, 13/1393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I. Rhodes, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Betrokkene en mr. Rhodes zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft appellant de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van betrokkene met ingang van 23 januari 2012 ingetrokken en de volgens appellant onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 4.993,95 van haar teruggevorderd.


1.2.

Appellant heeft op 4 oktober 2012 een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek met bijlagen van betrokkene ontvangen. Daarin heeft betrokkene voorgesteld om per maand € 60,- af te lossen op de vordering die appellant op haar heeft. Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft appellant, onder meer rekening houdend met schulden van betrokkene aan schuldeisers die evenveel voorrang als appellant hebben op de betaling van hun vordering, het per

1 november 2012 maandelijks af te lossen bedrag vastgesteld op € 202,63.


1.3.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 oktober 2012 op de grond dat het af te lossen bedrag onjuist is bepaald, omdat zij in de periode waarover de aflossingscapaciteit is vastgesteld een hoger inkomen had dan gemiddeld. Bij besluit van

7 februari 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de berekening van de aflossingscapaciteit heeft appellant rekening gehouden met het loon van betrokkene over vier weken in de maand augustus 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Nu onbetwist sprake is van fluctuerende inkomsten is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in 2 vermelde oordeel van de rechtbank. Door bij de berekening van de aflossingscapaciteit uit te gaan van de inkomsten van de maand augustus 2012 is volgens appellant gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving en is ook zichtbaar geworden welk bedrag betrokkene overhoudt met de inkomsten van dat moment.


3.2.

Betrokkene heeft betoogd dat de aflossingscapaciteit per maand dient te worden vastgesteld na het bekend worden van de inkomsten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. Artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de beslagvrije voet voor een alleenstaande die 21 jaar of ouder is maar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, 90 procent van dat inkomen bedraagt inclusief de vakantie-aanspraak, doch ten minste 90 procent van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is. Artikel 475, vijfde lid, Rv schrijft voor dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering en met voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten, zoals in dat artikellid aangegeven. Betalingen worden op grond van het achtste lid van dit artikel berekend per maand, tenzij alle betalingen wekelijks geschieden.


4.1.2.

Op grond van artikel 36, vijfde lid, van de WW is degene van wie wordt teruggevorderd verplicht desgevraagd aan appellant de inlichtingen te verstrekken die voor de juiste vaststelling van het in te houden bedrag nodig zijn.


4.1.3.

Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het aan appellant met inachtneming van de feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn op het tijdstip van de heroverweging op een bezwaar te beslissen.


4.2.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellant de aflossingscapaciteit van betrokkene juist heeft berekend door ondanks fluctuerende inkomsten van betrokkene bij het bestreden besluit vast te houden aan het inkomen van betrokkene, berekend over de maand augustus 2012.


4.3.

Bij fluctuerende inkomsten per maand kan niet vooraf worden bepaald wat het inkomen van de schuldenaar zal zijn vanaf de eerste maand waarin daadwerkelijk moet worden afgelost of waarover inhouding ter verrekening op de uitkering daadwerkelijk zal gaan plaatsvinden. Het inkomen vanaf die eerste maand kan echter wel achteraf over die maand worden vastgesteld op het tijdstip waarop een beslissing moet zijn genomen op een bezwaar tegen de hoogte van een aflossingsbedrag. In dat verband wordt er nog op gewezen dat, anders dan appellant veronderstelt, uit de regelgeving niet dwingend voortvloeit dat het inkomen en de daarmee samenhangende aflossingscapaciteit wordt vastgesteld aan de hand van de inkomsten in de maand die appellant hier als uitgangspunt heeft genomen.


4.4.

Betrokkene heeft in bezwaar onder meer gegevens verstrekt over haar inkomen in de maanden november en december 2012. Met die gegevens heeft appellant, gelet op artikel 7:11 van de Awb, ten onrechte geen rekening gehouden.


4.5.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.


4.6.

Ter zitting is de vraag besproken op welke wijze het geschil finaal kan worden beslist in het geval de Raad zou oordelen dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant heeft desgevraagd voor dat geval verzocht om de hoogte van het bedrag dat per 1 november 2012 had moeten worden vastgesteld alsnog te bepalen op het bedrag dat betrokkene zelf heeft genoemd, namelijk € 60,- per maand. Met die vaststelling wordt betrokkene, gelet op de nu voorhanden zijnde gegevens, zeker niet te kort gedaan.


4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. Behalve de te vernietigen opdracht van de rechtbank aan appellant om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de Raad zelf in de zaak voorzien.


4.8.

Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant is opgedragen een nieuwe

beslissing op bezwaar te nemen;

- bevestigt die uitspraak voor het overige;

- stelt het aflossingsbedrag per 1 november 2012 vast op € 60,- per maand en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 februari 2013;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 490,-.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) H.J. Dekker






NK