Centrale Raad van Beroep, 04-12-2015 / 13/6344 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:4431

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag toeslag. Dat appellant zijn gezin in Turkije zo mogelijk financieel onderhoudt doet hier niet aan af, nu de mate van onderhoud geen criterium is voor het recht op toeslag in het kader van artikel 3 van de TW. De gronden die namens appellant zijn aangevoerd tegen de eerdere besluitvorming van het Uwv, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, vallen buiten de omvang van dit geding. Er is voorts geen sprake van een uitzonderlijk geval, waarin zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen, dat de toepassing van voornoemde dwingendrechtelijke bepaling, zodanig in strijd komt met het ongeschreven recht, dat die toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-04
Publicatiedatum
2015-12-10
Zaaknummer
13/6344 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6344 TW

Datum uitspraak: 4 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2013, 13/3282 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Bingöl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2015. Appellant heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. Bingöl voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. Verbeek.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant woont in Nederland en ontving vanaf 29 juni 2006 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De echtgenote van appellant is geboren in 1974 en woont met hun kinderen in Turkije. Per 1 oktober 2012 is de toeslag ingevolge de TW beëindigd. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.


1.2.

Op 14 december 2012 heeft appellant opnieuw om toeslag ingevolge TW verzocht. Deze aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2012 afgewezen, omdat de partner van appellant na 31 december 1971 is geboren en hij geen kind heeft jonger dan 12 jaar voor wie hij kinderbijslag ontvangt.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2012 ongegrond verklaard. Hierbij is de motivering van dit besluit gewijzigd in die zin dat het recht op toeslag is afgewezen omdat de partner van appellant na 31 december 1971 is geboren en hij geen kind heeft jonger dan

12 jaar dat tot zijn huishouden behoort.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn kinderen weliswaar niet tot zijn huishouden behoren, maar dat hij wel geld overmaakt ten behoeve van hun onderhoudskosten. Namens hem is betoogd dat de voorwaarden voor het recht op toeslag niet zo strikt moeten worden uitgelegd vanwege de schrijnende omstandigheden waarin hij verkeert.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 3 van de TW heeft vanaf 1990 een gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 geen recht op toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak wordt het begrip “behoren tot het huishouden” beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden van het geval. Niet in geschil is dat de echtgenote en kinderen van appellant in Turkije wonen en dat appellant in Nederland woonachtig is. Ter zitting is voorts bevestigd dat niet meer wordt bestreden dat de kinderen niet tot het huishouden van appellant behoren. Hiermee staat vast dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op toeslag ingevolge de TW. Dat appellant zijn gezin in Turkije zo mogelijk financieel onderhoudt doet hier niet aan af, nu de mate van onderhoud geen criterium is voor het recht op toeslag in het kader van artikel 3 van de TW. De gronden die namens appellant zijn aangevoerd tegen de eerdere besluitvorming van het Uwv, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, vallen buiten de omvang van dit geding. Er is voorts geen sprake van een uitzonderlijk geval, waarin zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen, dat de toepassing van voornoemde dwingendrechtelijke bepaling, zodanig in strijd komt met het ongeschreven recht, dat die toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn.


4.3.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) J.R. van Ravenstein




RB