Centrale Raad van Beroep, 04-12-2015 / 15/624 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:4438

Inhoudsindicatie
Korting op AOW-pensioen wegens niet verzekerde jaren. Niet is komen vast te staan dat appellant gedurende het in geschil zijnde tijdvak ingezetene is geweest van Nederland, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant toen als verzekerd ingevolgde de AOW aangemerkt zou kunnen worden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-04
Publicatiedatum
2015-12-11
Zaaknummer
15/624 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/624 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 december 2014, 14/4577 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 4 december 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 oktober 2015 heeft mr. Molenaar nog een beëdigde verklaring van

[naam X.] in het geding gebracht, welke is opgesteld door een notaris. De Svb heeft na kennisneming van de verklaring meegedeeld dat die geen aanleiding vormt een ander standpunt in te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2015. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren in 1949, heeft in december 2013 bij de Svb een aanvraag ingediend om toekenning aan hem van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft appellant gemeld dat hij ook van september 1964 tot 1 januari 1973 in Nederland heeft gewoond en gewerkt.


1.2.

De Svb heeft vervolgens informatie ingewonnen over het gestelde verblijf van appellant hier te lande bij de gemeenten Amsterdam en Aalsmeer. De gemeente Amsterdam heeft meegedeeld dat geen gegevens over een inschrijving van appellant in het archiefregister zijn gevonden. De gemeente Aalsmeer heeft meegedeeld dat appellant sinds 2 september 1975 staat ingeschreven in die gemeente.


1.3.

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ter hoogte van 84% van het pensioen voor een ongehuwde. Daarbij is overwogen dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW van

1 september 1964 tot 1 januari 1973.


1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat appellant per 1 januari 1973 in het zogenoemde schakelregister is geregistreerd en dat appellant niet bekend is bij het pensioenfonds voor het schoonmaakbedrijf.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep is namens appellant wederom aangevoerd dat hij al vanaf 1964 in Nederland werkzaam is geweest. Ter ondersteuning van die stelling is een levensverhaal van appellant overgelegd alsmede twee verklaringen van de heer [naam X.] .


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant gedurende het tijdvak van 1 september 1964 tot 1 januari 1973 verzekerd is geweest ingevolge de AOW op de grond dat hij in Nederland heeft gewoond - en toen ingezetene is geweest in de zin van artikel 3 van de AOW - of hier te lande heeft gewerkt en ter zake daarvan aan de loonbelasting onderworpen is geweest.


4.2.

Op grond van de nu bekende gegevens moet geconcludeerd worden dat appellant zijn stelling, dat hij gedurende het tijdvak van 1 september 1964 tot 1 januari 1973 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daarbij is allereerst van belang dat appellant geen controleerbare gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt van werkzaamheden hier te lande of waaruit afgeleid kan worden dat toen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. De Svb heeft op grond van de door appellant verstrekte summiere gegevens geprobeerd meer informatie te verkrijgen bij een pensioenfonds, de gemeenten Amsterdam en Aalsmeer en het schakelregister, maar deze pogingen hebben niet geleid tot gegevens welke de gestelde werkzaamheden en het gestelde verblijf hier te lande in de jaren voor 1973 kunnen bevestigen.


4.3.

Aan de overgelegde verklaringen van [naam X.] . kan bij de beoordeling van het ingezetenschap van appellant of het in loondienst werkzaam zijn geweest in de periode voor 1973 geen doorslaggevende betekenis toegekend worden. Op grond van deze verklaringen zou weliswaar aannemelijk geacht kunnen worden dat appellant toen enige tijd in Nederland heeft verbleven, maar de door deze getuige verstrekte gegevens zijn zodanig summier dat op basis daarvan niet aangenomen kan worden dat appellant toen ingezetene is geweest. Daarbij is onder meer van belang dat appellant toen zonder geldige verblijfstitel in Nederland verbleef en hij ook nog enige tijd, in ieder geval in 1971, is teruggekeerd naar Marokko. Verder heeft de heer [naam X.] . expliciet verklaard dat appellant niet in loondienst heeft gewerkt op de kwekerij van zijn vader. Over eventuele andere door appellant toen verrichte werkzaamheden in loondienst bij andere werkgevers heeft de heer [naam X.] . niet uit eigen wetenschap of waarneming kunnen verklaren.


4.4.

Daarom moet geoordeeld worden dat niet is komen vast te staan dat appellant gedurende het in geschil zijnde tijdvak ingezetene is geweest van Nederland, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant toen als verzekerd ingevolgde de AOW aangemerkt zou kunnen worden.


4.5.

Uit wat hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.














BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) J.R. van Ravenstein



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.



UM