Centrale Raad van Beroep, 04-12-2015 / 14/5553 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:4441

Inhoudsindicatie
Beëindiging WAO-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. In de arbeidskundige rapporten is voldoende gemotiveerd dat appellante de geduide functies kan vervullen. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn toereikend gemotiveerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-04
Publicatiedatum
2015-12-11
Zaaknummer
14/5553 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5553 WAO

Datum uitspraak: 4 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 augustus 2014, 13/7996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.W.J. de Bont, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, die laatstelijk als productiemedewerkster werkzaam was, heeft zich op

16 maart 1998 ziek gemeld in verband met nekklachten, schouderklachten en aan privéproblemen gerelateerde spanningsklachten. Vanaf 15 maart 1999 ontvangt appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 80 tot 100%.


1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en een op verzoek van het Uwv door psychiater S. Henselmans verrichte expertise, heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2013 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 juli 2013 beëindigd op de grond dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 7 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv en door psychiater Henselmans onvoldoende zorgvuldig zijn verricht. Het rapport van Henselmans geeft blijk van vooringenomenheid. Uit de opdracht van het Uwv aan Henselmans volgt dat al bij voorbaat er van werd uitgegaan dat de belastbaarheid van appellante eerder onjuist was vastgesteld. Bij zijn beoordeling is Henselmans uitgegaan van dit onjuiste uitgangspunt. Daarnaast gaat Henselmans in het geheel niet in op de omstandigheid dat zijn bevindingen haaks staan op de eerdere conclusies van psychiater

G.J. Brouwer van 13 januari 1999 en van psychiater J.Th. Roosenboom van 24 november 2005. Gelet hierop hadden de verzekeringsartsen de bevindingen van Henselmans niet zonder meer mogen overnemen. Voorts betoogt appellante dat de verzekeringsartsen haar belastbaarheid hebben overschat. Ten onrechte wordt er door het Uwv van uitgegaan dat appellante niet lijdt aan een depressieve stoornis. Appellante wordt nu al meer dan 16 jaar behandeld in verband met depressieve klachten. Er zijn drie specialisten die bij appellante de diagnose depressie hebben gesteld, Brouwer in 1999, Roosenboom in 2005 en psychiater R. Harbers in 2013. Alleen Henselmans en daarmee de verzekeringsartsen gaan ervan uit dat appellante niet aan een depressie lijdt. Ten slotte heeft appellante verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het Uwv of aan de juistheid van de uitkomsten daarvan. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellante ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen aanleiding bestaat om meer of verdergaande beperkingen voor haar aan te nemen. De verzekeringsarts heeft appellante gezien op het spreekuur en heeft haar psychisch onderzocht. Ook heeft deze arts het dossier bestudeerd, waaronder begrepen de rapporten van psychiater Brouwer en psychiater Roosenboom. Vervolgens heeft psychiater Henselmans op verzoek van de verzekeringsarts een expertise verricht. Henselmans heeft het dossier bestudeerd, de anamnese afgenomen, het dagverhaal opgetekend, en een psychiatrisch onderzoek verricht. Voorafgaand aan deze expertise heeft psycholoog A. Kostelijk bij appellante de sociaalbiografische anamnese afgenomen en zij heeft een aanvullend psychologisch testonderzoek verricht. Na de expertise heeft Henselmans nog telefonisch contact gehad met de huisarts van appellante. Volgens Henselmans lijdt appellante aan een aanpassingsstoornis en spelen er partner-relatieproblemen. Henselmans ziet geen aanwijzingen voor een stemmingsstoornis of een depressieve stoornis. Kernsymptomen van een depressie zoals een sombere stemming en anhedonie ontbreken. Ook ziet Henselmans geen aanwijzingen voor een psychotische stoornis, nu hij tijdens zijn onderzoek geen oordeel- en kritiekstoornissen heeft vastgesteld. De verzekeringsarts heeft de bevindingen van Henselmans overgenomen en heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). In verband met de aanpassingsstoornis is appellante beperkt ten aanzien van het hanteren van stressvolle situaties. Voorts kan appellante wegens haar duizeligheidsklachten niet werken in de buurt van gevaar opleverende machines en is zij beperkt ten aanzien van werken op hoogten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien op de hoorzitting en heeft haar psychisch en lichamelijk onderzocht. Ook heeft deze arts dossierstudie verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de verzekeringsarts ten aanzien van appellante opgestelde FML onderschreven.


4.2.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank te komen over de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit. De grond van appellante dat Henselmans bij zijn onderzoek bevooroordeeld was, treft geen doel. De expertise van Henselmans geeft blijk van een volledig en zorgvuldig onderzoek. Van vooringenomenheid aan de zijde van Henselmans is niet gebleken. Voorts heeft Henselmans blijkens de expertise kennisgenomen van de rapporten van psychiaters Brouwer en Roosenboom en heeft hij, zoals weergegeven onder 4.1, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd te kennen gegeven waarom hij afwijkt van hun bevindingen. Bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante mochten de verzekeringsartsen dan ook uitgaan van zijn beoordeling. De grond van appellante dat de verzekeringsartsen ten onrechte ervan uitgaan dat appellante niet lijdt aan een depressieve stoornis, treft evenmin doel. Henselmans, noch de verzekeringsartsen hebben bij appellante een depressieve stoornis vastgesteld. Henselmans heeft te kennen gegeven waarom de bevindingen van Brouwer en Roosenboom niet worden gevolgd. De stelling van appellante dat psychiater Harbers in 2013, na de expertise van Henselmans, bij appellante een depressie heeft vastgesteld en langdurig gebruik van antidepressiva en antipsychotica heeft geadviseerd, is niet onderbouwd met objectief medische gegevens. De in hoger beroep door appellante overgelegde stukken, waaronder bevestigingen van afspraken bij de behandelend psychiaters en een medicatieoverzicht, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze stukken hebben geen betrekking op de datum in geding.


4.3.

Nu er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van de bij appellante vastgestelde belastbaarheid, bestaat geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.


4.4.

Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in medisch opzicht in staat is de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. In de arbeidskundige rapporten is voldoende gemotiveerd dat appellante met inachtneming van haar beperkingen deze functies kan vervullen. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn toereikend gemotiveerd.


4.5.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) D. van Wijk




NK