Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14/925 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:4488

Inhoudsindicatie
Weigering nabestaandenuitkering omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Bij de toepassing van artikel 11 van de ANW wordt aansluiting gezocht bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Geen twijfel aan de zorgvuldigheid en de resultaten van het door het Uwv uitgevoerde onderzoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
14/925 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/925 ANW

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2014, 13/1770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is geboren in 1965. Op 26 mei 2010 is de echtgenoot van appellante overleden. In verband hiermee heeft appellante in juni 2010 bij de Svb een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Daarbij heeft zij te kennen gegeven dat zij arbeidsongeschikt is en geen kinderen heeft die jonger zijn dan 18 jaar.


1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Het Uwv heeft de Svb geadviseerd appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt te achten. Het Uwv heeft de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een in Marokko uitgevoerd medisch onderzoek. Op basis van een rapport van de algemeen arts van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) te Marokko en van onderzoeken door een cardioloog en een psychiater in Marokko heeft de arts voor arbeid en gezondheid van het Uwv het rapport van 23 mei 2012 opgesteld. Hierin is vermeld dat appellante beperkingen ondervindt op diverse terreinen in verband met psychische klachten, verhoogde bloeddruk en hypothyreoïdie. Appellante is aangewezen op werkzaamheden waarin er sprake is van een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige deadlines en waarbij geen hoog handelingstempo is vereist. Wat betreft de fysieke omgevingseisen bestaan er beperkingen bij het functioneren bij een lage of hoge omgevingstemperatuur. Voor dynamische handelingen is zij beperkt wat betreft fysiek zwaar belastende activiteiten. Een urenbeperking uit preventieve overweging is niet aan de orde omdat er geen sprake is van een aandoening waarvoor dagelijks een herstelperiode nodig is om gezondheidsschade te voorkomen. De vastgestelde beperkingen van appellante zijn verwerkt in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 mei 2012 geldig vanaf 26 mei 2010. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 31 mei 2012 een aantal voor appellante passende functies geselecteerd. Op basis van de mediaan van de drie hoogstverlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante (het wettelijk minimumloon), komt de arbeidsdeskundige tot een arbeidsongeschiktheidspercentage op de datum in geding, zijnde 26 mei 2010, van 0.


1.3.

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft de Svb de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenuitkering afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van deze uitkering.


1.4.

Bij brief van 31 juli 2012 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juli 2012 waarbij zij heeft vermeld dat zij medisch wordt behandeld. Zij heeft voorts een verklaring overgelegd van 11 februari 2013 van S. Talhaoui, de arts die haar behandelt in verband met psychische klachten. Talhaoui stelt zich op het standpunt dat appellante zodanig neurotisch gedrag vertoont dat er sprake is van een geestelijk gehandicapte vrouw en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald moet worden op 75%.


1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht vastgesteld op minder dan 45%. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Appellante is uitgebreid (lichamelijk) onderzocht (op basis waarvan zelfs behandeladviezen zijn gegeven) en is gezien door zowel een cardioloog als een psychiater. De door hen geconstateerde beperkingen zijn door de verzekeringsarts verwerkt in de FML. Appellante heeft geen objectieve medische rapporten overgelegd die een aanwijzing kunnen vormen voor het oordeel dat sprake is van verdergaande beperkingen dan vermeld in de FML. De in bezwaar overgelegde brief van haar behandelend psychiater kan niet als zodanig worden aangemerkt. Bovendien blijkt uit het MN 213-formulier dat de opvatting (van haar behandelaar) dat zij voor 75% arbeidsongeschikt zou zijn en zoals vermeld in de rapportage van de onderzoekend cardioloog, reeds door de verzekeringsarts in de beoordeling en de opstelling van de FML is meegenomen. De noodzaak om een verzekeringsarts bezwaar en beroep in te schakelen bestond daarom niet. Bij het arbeidskundig onderzoek, in het bijzonder bij de selectie van de aan de schatting ten grondslag te leggen functies, is de bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgestelde FML, waarvan de rechtbank in het voorafgaande heeft overwogen dat deze de beperkingen van appellante juist weergeeft, dan ook een vaststaand gegeven. Hieruit volgt, op grond van de in Nederland gehanteerde systematiek een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij ziek is en niet kan werken.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.


4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Artikel 11 van de ANW luidt:


“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”


4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van

artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.


4.4.

De gronden die appellante heeft aangevoerd in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij heeft aangevoerd bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is met juistheid tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Appellante heeft niet onderbouwd waarom zij de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak niet juist acht, noch heeft zij medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de FML. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat appellante gelet op haar functionele mogelijkheden de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies kan verrichten en dat daarbij geen relevant verlies aan verdienvermogen ontstaat.


4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.




(getekend) E. Dijt




(getekend) N. Veenstra





MK