Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14/4083 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:4532

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering. Appellante wordt in staat geacht tenminste 100% of meer van het minimum (jeugd)loon te verdienen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft terecht het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-16
Zaaknummer
14/4083 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4083 WAJONG

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juni 2014, 12/5508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Voorst Vader en haar moeder, [naam moeder] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, geboren [in] 1985, heeft op 28 februari 2012 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft zij gevoegd een rapport van 3 januari 2012 van de GZ-psycholoog drs. M. Oosterhoff over een bij appellante uitgevoerd psychodiagnostisch onderzoek.


1.2.

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong, omdat zij in staat moet worden geacht tenminste 100% of meer van het minimum (jeugd)loon te verdienen. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van 23 maart 2012 van een verzekeringsarts en een rapport van 27 maart 2012 van een arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd.


1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 5 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van 13 juni 2012 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 augustus 2012 ten grondslag gelegd.


2.1.

Namens appellante heeft mr. Van Voorst Vader beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.


2.2.

In overeenstemming met de conclusie in het rapport van 19 november 2012 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv in het beroepschrift aanleiding gezien de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op een aantal beoordelingspunten aan te passen. Gelet op de conclusie in het rapport van 5 december 2012 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv zijn eerder ingenomen standpunt over de aanvraag van appellante gehandhaafd.


2.3.

Ter onderbouwing van het beroep heeft appellante een commentaar van 11 januari 2013 van Oosterhoff ingediend, waarop een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 8 februari 2013 heeft gereageerd. Naar aanleiding van deze reactie heeft de moeder van appellante haar zienswijze over de mogelijkheden en beperkingen van appellante gegeven.


2.4.

Op verzoek van de rechtbank heeft zenuwarts/psychiater D.H.J. Boeykens als deskundige op 8 mei 2013 advies uitgebracht. Hij heeft geconcludeerd dat appellante op 20 juni 2012 (en ook op haar 17de en 18de verjaardag en de periode daarna tot 20 juni 2012) beperkingen had in de zin van een beperkte concentratie en aandacht en in de zin van impulsiviteit en hyperactiviteit, welke beperkingen vooral samenhangen met de aanwezigheid van de neuropsychiatrische aandoening ADHD en in mindere mate ook met haar slechts beneden gemiddelde intelligentie. De beperkingen van appellante bestaan op het vlak van aandacht en concentratie maar eveneens op het vlak van beheersing van impulsen en beperkingen in de zin van motorische onrust en ongedurigheid. Bij het uitvoeren van taken kan appellante gemakkelijk afgeleid worden, is zij moeilijk in staat om verschillende taken tegelijk uit te oefenen, kan zij moeilijk plannen en organiseren. Appellante kan zich ook niet altijd even gemakkelijk afgrenzen van anderen waardoor zij gemakkelijker dan de doorsnee leeftijdsgenoot uit haar evenwicht kan worden gebracht. Ook op het niveau van sociale rolvervulling gericht op de arbeidsrol is bij appellante sprake van beperkingen. Appellante is aangewezen op taken waarbij zij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen. Er dient sprake te zijn van voldoende voorspelbaarheid. Appellante kan niet flexibel inspringen op wisselende omstandigheden of vereisten, geen leiding geven, niet werken in een hoog handelingstempo. Samenwerken dient te gebeuren in een duidelijk afgebakend kader. Verder kan appellante niet omgaan met conflicten of onredelijke mensen. Zij heeft ook problemen in het hanteren van emotionele problemen van anderen. Daarnaast is appellante beperkt in verband met de allergie waardoor zij niet geschikt is om te werken in een hete omgeving of in een omgeving met stof, rook, gassen of dampen. In aanvulling op de FML heeft Boeykens appellante dan ook beperkt geacht ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen. Rekening houdend met haar beperkingen kan appellante volgens hem wel 40 uur per week werken.


2.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 24 juni 2013 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de visie van de deskundige. Hij heeft in de FML van 24 juni 2013 een aanvullende beperking genoteerd ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen (beoordelingspunt 2.6). Omdat de geselecteerde functies op dit punt geen bijzondere belasting kennen, heeft deze aanpassing van de FML volgens het Uwv geen gevolg voor het resultaat van de besluitvorming.


2.6.

De rechtbank heeft het commentaar van mr. Van Voorst Vader op het rapport van de deskundige aan Boeykens voorgelegd.


2.7.

In zijn reactie van 7 augustus 2013 heeft Boeykens geconcludeerd dat dit commentaar geen argumenten bevat om af te wijken van de conclusies zoals neergelegd in zijn rapport van 8 mei 2013.


2.8.

Appellante heeft haar kritiek op de conclusies van Boeykens gehandhaafd. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien zijn standpunt verder te wijzigen.


2.9.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv in beroep de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, zodat dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.


2.9.2.

In het kader van de definitieve geschilbeslechting heeft de rechtbank vervolgens bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in dit geval voor. Boeykens had de beschikking over alle relevante medische gegevens, heeft appellante zelf onderzocht en contact gehad met de huisarts van appellante. De deskundige heeft zijn medische bevindingen voldoende gemotiveerd en is op zorgvuldige en voldoende inzichtelijke wijze tot zijn oordeel gekomen. In de omstandigheid dat geen contact is opgenomen met Oosterhoff heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek van de deskundige onzorgvuldig te achten. De deskundige heeft immers de informatie van de psycholoog uitdrukkelijk in zijn afwegingen berokken. Bovendien heeft de deskundige inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd te kennen gegeven dat hij zich kon verenigen met de door de verzekeringsartsen van toepassing geachte beperkingen. De door de deskundige aanbevolen beperking ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep neergelegd in de FML van 24 juni 2013. Verder heeft de rechtbank overwogen dat Boeykens na kennisneming van de reacties op zijn rapport van 8 mei 2013 zijn bevindingen gemotiveerd heeft gehandhaafd bij zijn rapport van 7 augustus 2013. In alle beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de medische grondslag van het bestreden besluit, zoals uiteindelijk neergelegd in de FML van 24 juni 2013, onjuist te achten.


2.9.3.

Met deze FML als uitgangspunt heeft de rechtbank geen grond gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies, te weten de functies behorend tot SBC-code 282102 (besteller post/pakketten (auto)), SBC-code 271121 (operator voedingsmiddelenindustrie) en SBC-code 282111 (transportmedewerker). In zijn rapport van 5 december 2012 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat de in deze functies optredende belastingen vallen binnen de belastbaarheid van appellante.


2.9.4.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat Boeykens ten onrechte geen contact heeft opgenomen met de psycholoog Oosterhoff (beroepsgrond 1). Ook is herhaald dat zij meer beperkt is dan door het Uwv, de deskundige en de rechtbank is aangenomen. Met name gaat het om de aspecten concentratie, verdelen van aandacht en planning (beroepsgrond 2). Ook is betoogd dat appellante ook na de inwerkperiode toezicht nodig heeft, wat verder gaat dan hulp als bedoeld in niveau 3 van beoordelingspunt 1.9.3 van de FML. Appellante heeft begeleiding en toezicht nodig op niveau 2 (beroepsgrond 3). Verder heeft appellante opgemerkt dat het werken in ploegendienst, met nachten, voor haar te belastend is (beroepsgrond 4). Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de functie vallend onder SBC-code 271121 problematisch is, nu daar soms de aandacht moet worden verdeeld over twee lijnen (beroepsgrond 5).


3.2.

Onder indiening van een rapport van 3 oktober 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 6 oktober 2014 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In hoger beroep is aan de orde de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Naar aanleiding van de in hoger beroep naar voren gebrachte beroepsgronden wordt het volgende overwogen.


4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft terecht het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.


4.2.1.

Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding het onderzoek door Boeykens onzorgvuldig te achten omdat deze geen contact heeft gelegd met de psycholoog Oosterhoff. In dit verband is van belang dat de deskundige in zijn aanvullend rapport van 7 augustus 2013 te kennen heeft gegeven dat de omstandigheid dat hij geen contact heeft opgenomen met de psycholoog Oosterhoff, niet betekent dat hij geen rekening heeft gehouden met het psychodiagnostisch onderzoek dat door haar op 3 januari 2012 is uitgevoerd. Oosterhoff komt naar aanleiding van dat testpsychologisch onderzoek tot de conclusie dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor aandachtsproblemen en stelt de diagnose ADHD. Deze bevindingen van de psycholoog komen volgens de deskundige overeen met zijn psychiatrisch onderzoek bij appellante op 1 mei 2013. Diagnostisch is er dus geen tegenstelling tussen de bevindingen van de psycholoog en de bevindingen van Boeykens. Beroepsgrond 1 slaagt dus niet.


4.2.2.

Over het vasthouden en verdelen van de aandacht en planning heeft de deskundige in zijn aanvullend rapport van 7 augustus 2013 te kennen gegeven dat ook uit klinisch onderzoek en indrukken opgedaan tijdens het psychiatrisch onderzoek op 1 mei 2013 blijkt dat appellante zich wel degelijk gedurende minstens een half uur kan richten op een informatiebron. Tijdens het gesprek met de deskundige werd appellante niet op een relevante wijze afgeleid door interne of externe prikkels. Het onderzoek duurde 80 minuten. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat zij problemen heeft om haar aandacht te verdelen tussen haarzelf, haar huishouden en haar partner en andere sociale contacten, heeft de deskundige opgemerkt dat het hier in wezen gaat om een probleem met de planning dat niet zonder meer herleid kan worden tot de neuropsychiatrische diagnose ADHD. Volgens Boeykens hebben de moeilijkheden van appellante om zich emotioneel en structureel af te grenzen en om orde aan te brengen in haar levenscultuur ook te maken met emotionele factoren en keuzes, waarbij prioriteiten moeten worden gesteld. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding dit inzichtelijk en consistent geformuleerde oordeel van de deskundige niet te volgen. Dit betekent dat appellante in staat moet worden geacht de aandacht gedurende minstens een half uur te richten op één informatiebron en de aandacht alternerend kan richten op meerdere uiteenlopende informatiebronnen (autorijden in druk stadsverkeer). Ook beroepsgrond 2 slaagt niet.


4.2.3.

Met betrekking tot beroepsgrond 3 is het volgende van belang. In de FML is onder beoordelingspunt 1.9.3 genoteerd dat appellante is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. Met daarbij als toelichting: niveau 3, bij aanvang van een dienstverband (inwerkfase). Uit de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssyteem over beoordelingspunt 1.9.3 komt naar voren dat niveau 3 het lichtste niveau van toezicht en/of begeleiding aan de orde is als de betrokkene in staat is (eenvoudige) handelingen zelf uit te voeren. Zolang het werk volgens het vaste patroon wordt verricht, zijn er geen problemen. De betrokkene moet bij veranderingen of problemen om hulp kunnen vragen of hulp aangeboden krijgen. Bij verandering van werkzaamheden heeft de betrokkene meer instructie nodig dan een collega. Daarentegen is niveau 2 aan de orde als de betrokkene meer toezicht nodig heeft van een leidinggevende dan zijn collega’s. De leidinggevende is het grootste deel van de werktijd op de werkvloer aanwezig en moet voortdurend een oogje in het zeil houden en ingrijpen indien nodig.

De deskundige heeft daaromtrent in zijn aanvullend rapport van 7 augustus 2013 het volgende opgemerkt:


“Wat nu de behoefte aan toezicht betreft, is het duidelijk dat betrokkene aangewezen is op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of onder intensieve begeleiding uitgevoerd wordt. Tevens is het duidelijk dat betrokkene ondanks haar beperkingen wel degelijk leerbaar is en in staat is om aangeleerde vaardigheden ook zelf uit te voeren. Dit maakt dat de behoefte aan toezicht en begeleiding vooral uitgesproken is in het begin van een functie, temeer daar de geduide functies nu al volgens een vast patroon verlopen en er weinig ruimte is voor persoonlijke invulling. Dat betrokkene vooral behoefte heeft aan begeleiding en aanwijzingen tijdens de inwerkfase, betekent evenwel niet dat zij na de inwerkfase volledig autonoom zou kunnen werken. Ook dan blijft toezicht noodzakelijk maar er mag van uitgegaan worden dat zij hiervan minder gebruik zal maken dan tijdens de inwerkfase.”


Aan appellante kan worden toegegeven dat uit het rapport van Boeykens naar voren komt dat appellante ook na de inwerkperiode behoefte kan hebben aan rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding. In het rapport van 5 december 2012 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat de uiteindelijk geselecteerde functies eenvoudig van aard zijn. Er is sprake van een beperkte persoonlijke invulling van de functies door de functionaris. Evenmin is ervaring nodig om in dit werk te kunnen starten. Er wordt gewerkt onder leiding van een distributiemanager/een lijnchef, samen met een collega/de teamleider expeditie/een ploegleider/een voorman. Indien de werkgever hier niet zelf in voorziet, is tijdelijk en adequaat, een jobcoach als voorziening in te zetten om de “meer benodigde” instructie/begeleiding vorm te geven. Aangezien in de FML bij item 1.9.3 in de toelichting “niveau 3 bij aanvang van de dienstbetrekking” staat vermeld, ziet deze toelichting en het eventueel inzetten van een jobcoach op de inwerkfase en betreft het dan ook geen permanente voorziening. Gelet op de door Boeykens op dit aspect omschreven beperking van appellante en deze toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is deze beroepsgrond van appellante afdoende weerlegd.


4.2.4.

Voor de grond dat appellante niet in staat is om in ploegendiensten, met nachten te werken, ontbreekt een onderbouwing met objectief medische gegevens. Ook wordt opgemerkt dat de deskundige te kennen heeft gegeven dat de beperkingen van appellante niet van dien aard zijn dat zij geen wisselende diensten zou aankunnen. De vierde beroepsgrond slaagt niet.


4.2.5.

Ten slotte wordt ook de functie behorende tot SBC-code 271121 passend voor appellante geacht. In deze functie wordt gewerkt met een collega met wie wordt afgestemd dat deze het geheel aan taken waarneemt wanneer de andere kort een pauze neemt voor bijvoorbeeld toiletbezoek of het halen van koffie. Dit valt binnen de belastbaarheid van appellante, zoals door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 5 december 2012 is toegelicht. Ook de deskundige heeft in zijn aanvullend rapport van 7 augustus 2013 bevestigd dat het beperkte aanpassingsvermogen van appellante niet overbelast wordt door het uitvoeren van deze functie.


4.3.

Gelet op wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.2.5 slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP