Centrale Raad van Beroep, 15-12-2015 / 14/5547 WWB-T


ECLI:NL:CRVB:2015:4541

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag is gebaseerd op de schouwing van de woning. Het onderzoek is mede door SV Land verricht. het besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd. Opdracht tot herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-15
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
14/5547 WWB-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5547 WWB-T

Datum uitspraak: 15 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2014, 13/6608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 november 2015. Partijen zijn, waarvan appellante met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 31 januari 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Appellante heeft bij haar aanvraag opgegeven te wonen op het adres [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres) op welk adres zij ten tijde van belang volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans: Basisregistratie personen, stond ingeschreven.


1.2.

Op 21 maart 2013 hebben [naam bijzonder controleur] , bijzonder controleur, en [naam intaker] (R), intaker, beiden werkzaam bij de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Lelystad, met appellante een intakegesprek gevoerd. In dat gesprek heeft appellante onder meer verklaard dat zij van januari 2002 tot en met 31 augustus 2011 bijstand heeft ontvangen. Daarna heeft zij geleefd van door haar ontvangen huurtoeslag. Alle vaste lasten, waaronder huur, gas, water en elektriciteit, werden betaald door [naam S] (S) die met haar drie kinderen bij appellante in huis woonde. Appellante heeft tijdens het gesprek de inrichting van haar huis beschreven.


1.3.

Sinds begin juni 2013 wonen S en haar kinderen niet langer op het opgegeven adres. Op 24 juni 2013 zijn [naam G.] (G), zzp’er, en R naar het opgegeven adres gegaan. Na aanbellen werd niet opengedaan, maar van buitenaf was door het raam te zien dat de woning leeg was. In de woning stond, zichtbaar, slechts een eettafel met vier stoelen. Ook de bovenverdieping gaf een verlaten indruk. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 juli 2013 dat is opgesteld door R. Op 2 juli 2013 hebben G en R met appellante een spreekkamergesprek gevoerd. Aansluitend hebben G en R een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juli 2013 dat is opgesteld door G.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 juli 2013 de aanvraag van appellante om bijstand af te wijzen. De besluitvorming berust op de grond dat de door appellante opgegeven woonsituatie niet overeenkomt met de feitelijke woonsituatie. Uit onderzoek is gebleken dat appellante feitelijk niet haar hoofdverblijf heeft


op het opgegeven adres. Hierdoor heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.5.

Bij besluit van 29 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2013 ongegrond verklaard. Hierin heeft het college vermeld dat de afwijzing van de aanvraag voornamelijk is gegrond op de schouwing van de woning, waarbij het college heeft verwezen naar het rapport van 3 juli 2013. De feitelijke situatie wordt ondersteund door de verklaring van appellante.

1.6.

Het college heeft appellante bij besluit van 23 januari 2014 met ingang van 1 november 2013 bijstand ingevolge de WWB toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 31 januari 2013 (datum aanvraag) tot en met

4 juli 2013 (datum besluit tot afwijzing van de aanvraag).


4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.3.

Appellante heeft onder verwijzing naar de uitspraken van 16 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2947) en 17 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:425) aangevoerd dat het door G uitgevoerde rechtmatigheidsonderzoek in zijn geheel onrechtmatig is en dat aan het afgelegde huisbezoek geen waarde kan worden gehecht.


4.4.

Het college heeft in reactie daarop bij brief van 15 oktober 2015 meegedeeld dat het college afstand neemt van de bevindingen van het huisbezoek omdat het rapport van 3 juli 2013 door SV Land is opgesteld. Hoewel een ambtenaar van de gemeente bij het onderzoek betrokken was, kan naar het huidige inzicht dat onderdeel van het onderzoek geen grondslag meer vormen voor het primaire en het bestreden besluit. Dat geldt niet voor het onderzoek dat door het college zelf is gedaan, zoals gerapporteerd door R op 4 juli 2013. Hierin zijn de waarnemingen van 24 juni 2013 opgenomen. Ook zonder de bevindingen van het huisbezoek heeft appellante op geen enkele wijze aangetoond haar hoofdverblijf op het opgegeven adres te hebben, zodat het primaire en het bestreden besluit in die zin worden gehandhaafd.


4.5.

Uit het rapport van 4 juli 2013 dat is opgesteld en ondertekend door R, volgt dat R samen met G op 24 juni 2013 bij het opgegeven adres waarnemingen heeft verricht. Deze situatie is niet anders dan de situatie tijdens het spreekkamergesprek en het huisbezoek op 2 juli 2013, die G en R ook samen hebben afgenomen onderscheidenlijk afgelegd. De enkele omstandigheid dat het rapport van 4 juli 2013 door R is opgesteld en niet door G, is hierbij niet relevant. Nu zowel het onderzoek op 2 juli 2013 als het onderzoek op 24 juni 2013 door R en G samen is uitgevoerd en het college zich op het standpunt stelt dat het onderzoek op

2 juli 2013 om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd, kan dat niet anders dan eveneens voor het onderzoek op 24 juni 2013 gelden.


4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12,

eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet draagkrachtig is gemotiveerd. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. De Raad kan namelijk niet zelf bepalen of appellante in de te beoordelen periode recht heeft op bijstand en, zo ja, naar welke norm. Daarvoor ontbreken gegevens over de woon- en leefsituatie van appellante in de te beoordelen periode. Hiervoor is nader onderzoek van het college nodig. Weliswaar heeft appellante haar woonsituatie in het intakegesprek op

21 maart 2013 beschreven, maar dat was voordat S uit haar woning was vertrokken. Het college zal zich daarom alsnog moeten beraden over de bijstandsverlening aan appellante.


4.7.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb het college op te dragen het in 4.6 geconstateerde gebrek te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op voor 1 maart 2016 de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C. Moustaïne




HD