Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 13/6615 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:4575

Inhoudsindicatie
Vertrek naar buitenland. Beëindiging, vaststelling en terugvordering pgb.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
13/6615 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6615 AWBZ

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 november 2013, 12/518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Zwitserland (appellante)

VGZ Zorgkantoor B.V., als rechtsopvolger van Zorgkantoor Noord-Oost Brabant (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 4 november 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 3 februari 2011 heeft het Zorgkantoor aan appellante op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van € 73.094,21 voor verschillende zorgfuncties. Van het pgb maakt deel uit een budgetgarantie van € 7.058,68. Aan appellante is meegedeeld dat zij de besteding van het pgb dient te verantwoorden en dat een bedrag van € 515,16 verantwoordingsvrij is.


1.2.

Bij besluit van 14 april 2011 heeft het Zorgkantoor het pgb met ingang van 1 juni 2011 beëindigd, omdat appellante niet meer in Nederland woont.


1.3.

Bij besluiten van 12 juli 2011 heeft het Zorgkantoor het pgb over 2011 vastgesteld op

€ 22.958,16 en een bedrag van € 11.419,33 aan verleende voorschotten teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 17 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 12 juli 2011 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat de verantwoording van de besteding van het pgb over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2011 is geaccepteerd voor zover deze in overeenstemming was met de maandlonen zoals deze in de zorgovereenkomsten met haar zorgverleners zijn opgenomen. De bedragen die boven de in de zorgovereenkomsten vastgelegde maandlonen zijn gedeclareerd, zijn niet geaccepteerd. Het totale maandloon over voornoemde periode bedroeg € 22.442,50. Rekening houdend met het verantwoordingsvrije bedrag van € 515,16 heeft het Zorgkantoor € 22.958,16 geaccepteerd als besteed aan zorg. Voor 2011 heeft het Zorgkantoor aan appellante € 34.377,49 aan voorschotten betaald, zodat van appellante een bedrag van € 11.419,33 wordt teruggevorderd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij onder meer verwezen naar de uitspraak van de Raad van

23 mei 2012 waarin appellante en het Zorgkantoor eveneens partij waren en het de verantwoording en jaarafrekening voor het jaar 2010 betrof (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6827).


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij niet heeft kunnen anticiperen op de mogelijkheid om naar een instelling voor dagverblijf te gaan en dat het toegekende bedrag van de budgetgarantie niet verantwoord hoeft te worden. Verder had zij de kans moeten krijgen om de verantwoording aan te passen, zodat zij onder meer het maandloon van haar zorgverleners had kunnen verhogen. Tot slot heeft zij aangevoerd dat terugvordering niet mogelijk is voor verrekeningen met het pgb over 2010.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, onder e, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) legt de verzekerde door middel van invulling en ondertekening van een daartoe door het zorgkantoor toegezonden formulier verantwoording af over de besteding van het verleende persoonsgebonden budget. Voor appellante bestond op grond van artikel 2.6.9, derde lid, van de Rsa geen verantwoordingsplicht voor een bedrag van € 515,16. Voor het oordeel dat voor het bedrag van de budgetgarantie van € 7.058,68 geen verantwoordingsplicht geldt, biedt de Rsa geen grond.


4.2.

Ingevolge artikel 2.6.9, eerste lid, onder c, van de Rsa sluit de verzekerde voor de zorg die hij inkoopt een schriftelijke overeenkomst met de zorgverlener of zorg verlenende instantie, waarin opgenomen tenminste de in deze bepaling genoemde afspraken. In de met haar zorgverleners gesloten zorgovereenkomsten staat een maandloon voor de te verrichten werkzaamheden opgenomen, daaronder begrepen vervoer. Gelet op het overeengekomen maandloon bestond er voor het Zorgkantoor geen aanleiding om van meer kosten dan dit maandloon uit te gaan. Het Zorgkantoor heeft het pgb daarom met juistheid vastgesteld op € 22.958,16 (zie ook de genoemde uitspraak van de Raad van 23 mei 2012 ECLI:NL:CRVB:2012:BW6827).


4.3.

Het Zorgkantoor heeft een cijfermatig overzicht verstrekt van de aan appellante toegekomen bedragen van het pgb voor het jaar 2011, waaronder enige verrekening van het pgb voor het jaar 2010. De juistheid van de gegevens in dit overzicht heeft appellante niet betwist. Anders dan appellante betoogt is er geen reden de genoemde verrekening buiten aanmerking te laten.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de beroepsgronden op een onjuiste grondslag berusten en het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) J.P.A. Boersma




(getekend D. van Wijk


UM