Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 15/2665 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:4583

Inhoudsindicatie
Het Zorgkantoor heeft het besluit naar het bij het Zorgkantoor laatst bekende (correspondentie)adres van appellant gezonden. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
15/2665 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2665 AWBZ

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 maart 2015, 14/1418 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.I. Algoe.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft het Zorgkantoor aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ voor 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van

€ 10.047,43. Het Zorgkantoor heeft bij besluit van 29 april 2013 het pgb voor 2012 vastgesteld op € 4.419,- en van appellante een bedrag van € 5.628,43 teruggevorderd. Appellant heeft op 10 december 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 april 2013.


1.2.

Bij besluit van 6 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft niet binnen de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar gemaakt en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant het bezwaarschrift na afloop van de termijn van zes weken heeft ingediend. Er is niet gebleken van een expliciete en ondubbelzinnige toezegging van de zijde van het Zorgkantoor aan appellant dat het bezwaarschrift inhoudelijk zou worden behandeld. Uit de door het Zorgkantoor overgelegde uitdraai van een gespreksregistratie van 21 november 2013 tussen het Zorgkantoor en de pleegmoeder van appellant blijkt enkel dat is meegedeeld dat appellant bezwaar kan maken met daarbij de reden waarom zo laat bezwaar wordt gemaakt. Hieruit blijkt niet van een toezegging dat het bezwaar ook inhoudelijk behandeld zal worden. Het besluit van 29 april 2013 is verzonden naar het adres waarop appellant op dat moment woonachtig was, namelijk bij zijn biologische vader. Het Zorgkantoor heeft de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar geacht. Van appellant mag worden verwacht dat hij iemand inschakelt ter behartiging van zijn belangen, als hij als gevolg van ziekte niet in staat kan worden geacht om zelf tijdig bezwaar te maken. Niet is gebleken dat er geen mogelijkheid is geweest om daarvoor zorg te dragen. Zo was de opname en behandeling van appellant in een instelling ten tijde van het besluit van 29 april 2013 al beëindigd. Verder is niet gebleken dat appellant als gevolg van zijn psychische problemen niet in staat was om binnen de bezwaartermijn iemand in te schakelen om voor hem tijdig een (pro-forma) bezwaarschrift in te dienen. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar daarom terecht

niet-ontvankelijk verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat er wel degelijk sprake is geweest van een expliciete ondubbelzinnige toezegging inhoudende dat het bezwaar alsnog inhoudelijk zou worden behandeld. Voorts was appellant vanwege zijn psychische problemen niet in staat om tijdig bezwaar te maken of om een derde te vragen om dat namens hem te doen. Verder heeft appellant opgemerkt dat hij niet (feitelijk) woonachtig was op het adres van zijn biologische vader.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het Zorgkantoor heeft het besluit van 29 april 2013 met de, tussen partijen niet in geschil zijnde verzending naar het [adres] te [Z.], in overeenstemming met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb aan appellant bekendgemaakt. Zoals het Zorgkantoor ter zitting nader heeft toegelicht, was dat adres het bij het Zorgkantoor laatst bekende (correspondentie)adres van appellant. Nu het besluit van 29 april 2013 op juiste wijze bekend is gemaakt, was de bezwaartermijn ruimschoots verstreken toen appellant op 10 december 2013 tegen dat besluit bezwaar maakte.


4.2.

Appellant heeft in hoger beroep verder geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in beroep aangevoerde gronden.


4.3.

De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.


4.4.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) D.S. de Vries




(getekend) D. van Wijk




JvC