Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14/4452 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:4591

Inhoudsindicatie
Anticumulatie. Terugvordering WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij te veel WAO-uitkering ontving. Schending inlichtingenplicht. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
14/4452 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4452 WAO

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 juli 2014, 14/852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante heeft zich in 1998 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld wegens psychische klachten. In verband hiermee is aan haar vanaf 19 april 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk vanaf 9 januari 2002 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


1.2.

Vanaf 7 maart 2005 is appellante werkzaam bij de [stichting] . De inkomsten uit arbeid die zij hieruit geniet hebben tot en met maart 2009 geen aanleiding gegeven tot een wijziging van appellantes uitkering.


1.3.

Appellante heeft op 3 maart 2013 gemeld dat haar inkomen bij [stichting] met ingang van 3 maart 2013 hoger is. Naar aanleiding van deze melding heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de verdiensten van appellante vanaf april 2009. In dit onderzoek is geconcludeerd dat, gelet op de hoogte van appellantes inkomsten, zij vanaf 1 april 2009 niet steeds recht had op WAO-uitkering.


1.4.

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft het Uwv de uitkering van appellante over de periodes van juni 2009, oktober 2009 tot augustus 2010 en september 2010 tot en met maart 2013 gekort in die zin dat geen recht bestaat op uitkering over die periodes (kortingsbesluit).


1.5.

Bij besluit van 29 maart 2013 heeft het Uwv het over de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 maart 2013 betaalde bedrag aan uitkering van € 11.818,88 (bruto) als onverschuldigd betaald van appellante teruggevorderd (terugvorderingsbesluit).


1.6.

Bij besluit van 30 januari 2014 (bestreden besluit ) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de onder 1.4 en 1.5 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Het Uwv ziet geen aanleiding te concluderen dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep de korting en de terugvordering aangevochten en daartoe aangevoerd dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering ontving. Daartoe voert appellante aan dat zij wegens haar psychische klachten niet aan haar inlichtingenplicht heeft kunnen voldoen. Verder voert appellante aan dat het Uwv ten gevolge van haar ziekmelding op 14 maart 2011 op de hoogte was van haar salaris, waarvoor appellante verwijst naar de brief van het Uwv van 23 januari 2012. Tot slot stelt appellante zich op het standpunt dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, welke gelegen zijn in haar psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom ten onrechte de hoorzitting niet bijgewoond.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Gelet op de beroepsgronden is de invordering van de WAO-uitkering niet in geding. In geding zijn het kortings- en het terugvorderingsbesluit.


4.2.

In de uitspraak van 5 november 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717) heeft de Raad overwogen dat, indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO (anticumulatie/korting). Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat de bewoordingen van dat artikel in beginsel niet in de weg staan aan toepassing met terugwerkende kracht (wat in de regel het geval zal zijn, indien het Uwv later van de inkomsten uit arbeid op de hoogte wordt gesteld of komt). Voorts blijkt uit die uitspraak dat het Uwv van toepassing van die wetsbepaling pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel aan uitkering ontving. Deze door het Uwv bestendig gehanteerde gedragslijn dient op één lijn te worden gesteld met buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient zodanig beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven worden beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid in het voorliggende geval op consistente wijze is toegepast.


4.3.

Niet kan worden geoordeeld dat het in 4.2 bedoelde beleid niet consistent is toegepast. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij te veel WAO-uitkering ontving. Appellante ontving een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en genoot daarnaast inkomsten uit arbeid. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de inkomsten van appellante vanaf 1 april 2009 zodanig waren dat over het grootste gedeelte van de in geschil zijnde periode sprake is geweest van overschrijding ter hoogte van een arbeidsongeschiktheidsklasse. Daarbij is van belang dat appellante altijd 28 uur per week werkte, maar in de weekenden meer salaris had door onregelmatigheidstoeslagen. De rechtbank heeft onder 3.2 van de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat de omstandigheid dat het Uwv in de in geschil zijnde periode niet heeft gevraagd om informatie te verschaffen geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Appellante, die sinds 1999 een WAO-uitkering ontvangt, wordt geacht te weten dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het resultaat is van een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige beoordeling en dat zij steeds aan het Uwv had dienen te melden dat zij inkomsten uit arbeid genoot. Appellante heeft daarom niet voldaan aan de op haar op grond van artikel 80 van de WAO rustende inlichtingenplicht. De ziekmelding op 14 maart 2011 die volgt uit de brief van 23 januari 2012 leidt niet tot een ander oordeel, nu - wat daarvan ook zij - dit appellante niet ontsloeg van de op haar rustende inlichtingenplicht. De stelling dat appellante wegens psychische klachten niet aan haar inlichtingenplicht heeft kunnen voldoen heeft zij noch in bezwaar, noch in beroep, noch in hoger beroep met medische gegevens onderbouwd. Gelet daarop treft de grond dat bij de hoorzitting geen verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was geen doel.


4.4.

Nu appellante niet de juistheid heeft betwist van het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt van het Uwv dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid, gelet op de hoogte van haar inkomsten uit arbeid, over de in geschil zijnde periodes (fictief) diende te worden gesteld op minder dan 15%, heeft het Uwv het (kortings)besluit van

28 maart 2013 bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd. Gelet daarop staat vast dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering over de periode van 1 april 2009 tot en met 31 maart 2013 deels onverschuldigd is betaald. Dit betekent dat het Uwv ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO, gehouden was de aan appellante teveel betaalde uitkering over die periode terug te vorderen, zodat het Uwv bij besluit van 29 maart 2013 terecht de onverschuldigd betaalde uitkering heeft teruggevorderd.


4.5.

Van dringende redenen als bedoeld in het vijfde lid van artikel 57 van de WAO om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is slechts sprake indien door de terugvordering van een uitkering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in dit artikel om van terugvordering af te zien. De beroepsgrond dat dringende redenen gelegen zijn in appellantes psychische klachten is niet onderbouwd. De omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van de onverschuldigde betaling kunnen geen rol spelen bij het aannemen van een dringende reden. Appellante heeft geen (medische) gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat als gevolg van de terugvordering dringende redenen aan de orde zijn.


4.6.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

11 december 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) N. van Rooijen




JvC