Centrale Raad van Beroep, 02-12-2015 / 14/1887 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4593

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van verzekeringsplichtige arbeid. Appellant is geen werknemer geweest in de zin van de sociale zekerheidswetten. Geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het frauderapport.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-02
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
14/1887 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1887 WIA

Datum uitspraak: 2 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2014, 13/126 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/1886 WIA plaatsgehad op

21 oktober 2015, waar appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Anik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 25 maart 2010 door [naam uitzendbureau] ziek gemeld. Vanaf 6 april 2010 ontving hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 8 december 2011 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.


1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 4 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv bepaald dat appellant geen WIA-uitkering kan krijgen per 22 maart 2012 omdat geen sprake is geweest van verzekeringsplichtige arbeid en appellant geen werknemer is geweest in de zin van de sociale zekerheidswetten. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 oktober 2012 en 26 november 2012. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


1.3.

In beroep heeft het Uwv een rapport over door appellant gepleegde fraude van

11 april 2013 overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat uit dit rapport blijkt dat appellant op 25 maart 2010 niet verzekerd was.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, naar aanleiding van een melding van een claimbehandelaar van de afdeling ZW van het Uwv aan het “Loket gefingeerde dienstverbanden”, onderzoek is ingesteld naar appellant wat heeft geresulteerd in het rapport van 11 april 2013. Voor het rapport is onder meer informatie van de Kamer van Koophandel en van de Belastingdienst ontvangen en heeft inzage plaatsgevonden in de administratie van [naam uitzendbureau] en van [BV 1] en in de bestanden van het Uwv. Voorts zijn verklaringen afgenomen van, onder anderen, appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] ,

[naam 1] (enig aandeelhouder en bestuurder van zowel [naam uitzendbureau] als [BV 1] ) ( [naam 1] ) en een aantal getuigen.


2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank bood het rapport van 11 april 2013 voldoende grondslag voor het door het Uwv ingenomen standpunt dat geen sprake is geweest van werkzaamheden van appellant voor [naam uitzendbureau] en dat er dus geen privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan tussen appellant en [naam uitzendbureau] . De rechtbank heeft daartoe verwezen naar de onderzoeksbevindingen en de verklaringen van onder anderen appellant, [naam 1] en [naam 2] (bestuurder van [BV 2] , afnemer van [BV 1] ) ( [naam 2] ). De rechtbank was van oordeel dat uit het frauderapport onder meer blijkt dat zowel appellant als de werkgever [naam 1] hebben verklaard dat appellant nooit als industrieel reiniger werkzaam is geweest, zoals is aangegeven in de arbeidsovereenkomst en de ziekmelding. [naam 1] heeft verklaard dat de opdracht voor industrieel reinigen niet is doorgegaan en dat hij appellant een mooi salaris heeft gegeven om hem te kunnen houden en hem naar een opdrachtgever te kunnen sturen als hij die had. In het frauderapport staat dat dat niet is gebeurd. Naar eigen zeggen zou appellant in een loods werkzaamheden hebben verricht, bestaande uit het schoonmaken van machines, koffie zetten, het gebouw schoonmaken en het inpakken van messen en servetten (naptidi’s). Deze werkzaamheden waren goeddeels hetzelfde als de werkzaamheden die de werkgever, [naam 1] , verrichtte, maar appellant verdiende daar een hoger salaris mee dan de werkgever zelf. Desgevraagd heeft [naam 1] aangegeven dat hij dit gedaan had omdat hij appellant een contract had gegeven.


2.3.

Volgens de rechtbank blijkt voorts uit het frauderapport dat [naam 1] en appellant hebben verklaard dat appellant ook personeel van het bedrijf [BV 3] naar het werk heeft gebracht, maar dat in de administratie van [naam uitzendbureau] geen facturen zijn aangetroffen waaruit dit blijkt en de eigenaresse van [BV 3] heeft niet kunnen bevestigen of appellant het personeel ophaalde.


2.4.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat volgens het frauderapport de werkzaamheden die in de loods werden verricht bestonden uit het handmatig samenstellen van naptidi’s en dat volgens Rutjes een werknemer handmatig duizend naptidi’s per dag kan plakken. Appellant heeft verklaard dat hij meer dan honderd naptidi’s per dag vouwde. [BV 1] heeft evenwel op 15 januari 2010 154.600 naptidi’s gefactureerd, terwijl appellant op dat moment het enige personeelslid van [BV 1] (en [naam uitzendbureau] ) was. [naam 1] heeft als verklaring gegeven dat er administratieve fouten zijn gemaakt. Ook is verklaard dat het vouwen van de naptidi’s vanaf 23 februari 2010 zou hebben plaatsgevonden bij appellant thuis. [naam 2] heeft echter verklaard dat hij geen zaken meer met [BV 1] heeft gedaan nadat [BV 1] van het industrieterrein in Dordrecht was vertrokken. Rutjes heeft van [BV 1] facturen ontvangen. De facturen 2010-2 en 2010-3 heeft hij niet betaald omdat de afspraken niet werden nagekomen. De in de administratie van [BV 1] voorkomende faturen 2010-6 en 2010-7 heeft [naam 2] niet ontvangen. In de administratie van [BV 1] of [naam uitzendbureau] zijn geen facturen aangetroffen waaruit blijkt dat [BV 1] deze naptidi’s zelf heeft verkocht of heeft laten vervoeren. Tot slot zijn in de administratie van [BV 1] of [naam uitzendbureau] geen gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat er pogingen zijn ondernomen om de niet betaalde facturen betaald te krijgen.


2.5.

Onderzoek bij de Belastingdienst heeft voorts uitgewezen dat [naam uitzendbureau] aan de Belastingdienst heeft doorgegeven dat appellant in 2010 nul uren heeft gewerkt en nu sv-loon heeft ontvangen. Appellant heeft zelf in zijn loonaangifte nagelaten zijn dienstverband bij [naam uitzendbureau] te vermelden. Tevens blijkt uit het frauderapport dat de door appellant ontvangen salarisbetalingen niet overeenkomen met de ter beschikking gestelde salarisspecificaties en dat volgens de adminstratie van [naam uitzendbureau] aan appellant over twee en niet over drie maanden salaris is betaald.


2.6.

Uit het voorgaande heeft de rechtbank afgeleid dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant ingaande 12 (lees: 22) maart 2012 niet in aanmerking kon komen voor een WIA-uitkering omdat er geen sprake is geweest van verzekeringsplichtige arbeid op grond waarvan appellant als werknemer in de zin van de ZW aangemerkt diende te worden.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat hij wel heeft gewerkt voor [naam uitzendbureau] en dat hij daarvoor een tegenprestatie in de vorm van loon heeft ontvangen. Dat [naam uitzendbureau] niet deugt en dat er onregelmatigheden zijn aangetroffen in de personeelsadministratie kan appellant niet worden tegengeworpen.


3.2.

In verweer heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA is werknemer in de zin van de Wet WIA de werknemer in de zin van de ZW. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ZW is werknemer de natuurlijke persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.


4.2.

Het geschil betreft de vraag of appellant werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Hiertoe is vereist dat appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot een werkgever. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012:BU8926). De maatschappelijke positie van degene wiens mogelijke hoedanigheid als werknemer wordt beoordeeld is bij de kwalificatie mede van belang.


4.3.

In een situatie als deze, waar appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op uitkering heeft (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2007:BA7220 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR1540).


4.4.

De door appellant aan het hoger beroep ten grondslag gelegde gronden zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Deze gronden zijn door de rechtbank aan de orde gesteld en door haar gemotiveerd verworpen. De stelling van appellant dat hij heeft gewerkt voor [naam uitzendbureau] en dat hij daarvoor loon heeft ontvangen is zonder een nadere motivering, die onderbouwd de onjuistheid van het gemotiveerde oordeel van de rechtbank aantoont, onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking op grond waarvan appellant recht had op een WIA-uitkering.


4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het frauderapport van 11 april 2013. Dat rapport biedt voldoende grondslag voor het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellant in de periode in geding niet op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaamheden heeft verricht voor [naam uitzendbureau] . Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden appellant ingaande 22 maart 2012 niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering, omdat geen sprake is geweest van verzekeringsplichtige arbeid op grond waarvan appellant als werknemer in de zin van de ZW aangemerkt diende te worden, wordt daarom onderschreven.


4.6

Aangezien het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven, wordt hier voor het overige volstaan te verwijzen naar de aangevallen uitspraak en naar hetgeen hiervoor in 2.1 tot en met 2.6 is weergegeven.


4.7.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500

EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.




NK