Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 14/154 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:4597

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening besluit. Voor verleden en toekomst toetsen. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb die betrekking hebben op het verleden, noch van feiten of omstandigheden die, hoewel niet nieuw of veranderd in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
14/154 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/154 WWAJ

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

5 december 2013, 13/1367 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1973, heeft op 28 juni 2012 een aanvraag gedaan om arbeidsondersteuning en een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 25 juli 2012 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen onder de overweging dat appellant op zijn 17e verjaardag geen ingezetene of daarmee gelijkgestelde was.


1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juli 2012. Bij beslissing op bezwaar van 3 oktober 2012 heeft het Uwv dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.


1.3.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 oktober 2012. Bij uitspraak van 27 februari 2013 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.


2. Op 25 oktober 2012 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 25 juli 2012. Bij besluit van 6 november 2012 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen omdat appellant op zijn 17e verjaardag niet als ingezetene is te beschouwen.


3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 november 2012. Bij beslissing op bezwaar van 4 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard, onder wijziging van de onderbouwing. Het Uwv erkent dat appellant ingezetene was, maar stelt zich thans op het standpunt dat appellant niet arbeidsongeschikt was op zijn 17e verjaardag dan wel dat hij in het jaar voor de eerste dag van arbeidsongeschiktheid minimaal zes maanden een studie volgde. Tegen deze afwijzingsgronden heeft appellant volgens het Uwv, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen nieuwe feiten of omstandigheden ingebracht.


4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat het Uwv geen aanleiding had hoeven te zien om terug te komen van het besluit van 25 juli 2012.


5.1.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen erop neer dat hij op zijn 17e jaar arbeidsongeschikt was en dat de bevindingen in het kader van een door appellant aangevraagde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aanleiding zouden moeten geven om terug te komen van de eerdere besluitvorming.


5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


6.1.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.


6.2.

In de uitspraken van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2) is de rechtspraak over de toepassing van artikel 4:6 van de Awb in arbeidsongeschiktheidszaken gepreciseerd en is een onderscheid gemaakt naar (doorlopende) betrekkingen tussen partijen in het verleden en op het moment van de aanvraag. Daarbij zijn onder meer vereisten geformuleerd ten aanzien van de (medische) onderbouwing van dergelijke aanvragen en het moment tot waarop die onderbouwing nog uiterlijk kan worden geleverd.


6.3.

De aanvraag van appellant om hem alsnog in aanmerking te brengen voor arbeidsondersteuning en een uitkering op grond van de Wajong is niet alleen een verzoek om herziening van het besluit van 25 juli 2012, maar omvat ook het verzoek om voor de toekomst terug te komen van dit, volgens appellant, onjuiste besluit.


6.4.

Ter zitting is vastgesteld dat appellant geen medische informatie kan inbrengen die zijn standpunt onderbouwt dat hij op zijn 17e verjaardag arbeidsongeschikt was. De vroegste medische informatie over zijn problematiek heeft betrekking op het jaar 1995, vijf jaar na de op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong relevante datum voor het zijn van jonggehandicapte. Er is daarom geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb die betrekking hebben op het verleden, noch van feiten of omstandigheden die, hoewel niet nieuw of veranderd in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend.


6.5.

Het Uwv mocht de aanvraag van appellant dan ook afwijzen en het besluit op de aanvraag na bezwaar handhaven. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak zal dan ook, met verbetering van gronden, worden bevestigd.


7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




NK