Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 14/915 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:4598

Inhoudsindicatie
Vaststellingsovereenkomst tussen college en betrokkene. Betrokkene krijgt een WW-uitkering. De Raad oordeelt dat betrokkene verwijtbaar werkloos is. Het verzoek van (het college) om te bepalen dat het Uwv de schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 4 april 2012 dient te vergoeden, wordt toegewezen. De te vergoeden schade omvat de kosten die het Uwv wegens aan betrokkene betaalde WW-uitkering ten onrechte op appellant heeft verhaald. Over die kosten moet wettelijke rente worden vergoed.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
14/915 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2016/63 met annotatie van G.C. Boot
Uitspraak

14/915 WW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

19 december 2013, 12/3240 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] , wonende te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. van Dam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was werkzaam als [naam functie 1] bij de gemeente Eindhoven. Zijn functie kwam per 1 januari 2009 ten gevolge van een organisatiewijziging te vervallen. Op 1 september 2008 is betrokkene tijdens een functioneringsgesprek voorgehouden dat de functie van [naam functie 2] bij de gemeente Eindhoven na 1 januari 2009 voor hem passend zou zijn. Betrokkene heeft toen te kennen gegeven te opteren voor een andere functie, daarna afspraken gemaakt met wervings- en selectiebureaus en een detachering gedurende drie jaar bij de [naam vereniging] ( [vereniging] ) voorgesteld. De [vereniging] en appellant hebben met dit voorstel ingestemd en een overeenkomst tot detachering van betrokkene als [naam functie 3] bij de [vereniging] gesloten ingaande 1 januari 2009 tot uiterlijk 1 januari 2012. Appellant en betrokkene hebben eind 2008 in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd dat de dienstbetrekking van betrokkene op zijn verzoek per uiterlijk 1 januari 2012 eindigt. Op 21 januari 2009 heeft betrokkene verzocht om zijn ontslag. Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft appellant betrokkene ontslag verleend met ingang van 1 januari 2012 naar aanleiding van het verzoek van betrokkene van 21 januari 2009.


1.2.

Betrokkene heeft op 16 maart 2012 het Uwv verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 4 april 2012, voor zover hier van belang, heeft het Uwv betrokkene met ingang van 2 januari 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is er onvoldoende grond om betrokkene per 2 januari 2012 verwijtbaar werkloos te achten. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Volgens de rechtbank lag het initiatief tot beëindiging van het dienstverband bij appellant en was het voorstel tot ontslagname afkomstig van appellant. Om die reden is betrokkene niet verwijtbaar werkloos, ondanks dat het ontslag op eigen verzoek heeft plaatsgevonden.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de beëindiging van het dienstverband op initiatief van betrokkene tot stand is gekomen en dat betrokkene in dienst had kunnen blijven van de gemeente. Het vervallen van de functie van [naam functie 1] vormde feitelijk geen reden voor de beëindiging van het dienstverband en er was geen andere reden of dreiging dat betrokkene de gemeente moest verlaten.


3.2.

Het Uwv heeft gesteld dat het initiatief tot beëindiging van het dienstverband aan de kant van appellant ligt en dat bij twijfel rond het initiatief tot het ontslag het voordeel van de twijfel bij de werknemer ligt op grond van de Beleidsregels toepassing artikelen 24 en

27 WW 2006.


3.3.

Betrokkene heeft in zijn zienswijze gesteld dat hem geen andere passende functie was aangeboden en dat hij hoe dan ook niet meer welkom was bij de gemeente Eindhoven. Zijn WW-uitkering is op zijn verzoek wegens aanvaarding van een (nagenoeg) volledige functie in loondienst met ingang van 1 mei 2014 beëindigd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, in het geval de werknemer op eigen verzoek wordt ontslagen, de vraag of hij verwijtbaar werkloos is geworden een materiële beoordeling vereist. Een ontslagverzoek moet in de context worden bezien, temeer omdat een dergelijk verzoek de uitkomst kan zijn van een onderhandeling tussen de werkgever en de werknemer over de voorwaarden waaronder een door de werkgever gewenste beëindiging van de dienstbetrekking zijn vorm krijgt

(zie onder meer de uitspraak van 8 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0443).


4.2.

Aan de beëindiging van diens ambtelijke aanstelling is een overleg met betrokkene vooraf gegaan, waarbij betrokkene te kennen heeft gegeven dat hij na de opheffing van zijn functie van [naam functie 1] niet opteerde voor de functie van [naam functie 2] . De stelling van betrokkene dat hij hoe dan ook niet meer welkom was bij de gemeente Eindhoven vindt geen steun in de gedingstukken. Integendeel, de toenmalige directeur van de sector Publiekszaken heeft bevestigd dat betrokkene de functie van [naam functie 2] vanaf januari 2009 had kunnen vervullen, dat het functioneren van betrokkene geen reden was voor zijn vertrek en dat betrokkene in verband met de regelingen uit het Sociaal Statuut, niet vanwege een reorganisatie kon worden ontslagen. Betrokkene heeft zelf afspraken gemaakt met wervings- en selectiebureaus en eind 2008 gekozen voor een detachering en beëindiging van zijn ambtelijke aanstelling uiterlijk op 1 januari 2012. Overeenkomstig die keuze heeft appellant reeds in januari 2009 verzocht om ontslag uit zijn aanstelling. Bij die keuze moet hij zich bewust zijn geweest van het risico van werkloosheid vanaf januari 2012.


4.3.

Uit de door betrokkene gemaakte keuze volgt dat sprake is geweest van een beëindiging van zijn dienstbetrekking op zijn verzoek als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Er is geen grond om te oordelen dat destijds voortzetting van de dienstbetrekking bij de gemeente Eindhoven redelijkerwijs niet van betrokkene kon worden gevergd.



4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat betrokkene als gevolg van zijn ontslagverzoek

op 1 januari 2012 verwijtbaar werkloos is geworden. De rechtbank wordt dus niet gevolgd in haar oordeel dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos is.


4.5.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW had het Uwv aan betrokkene de WW-uitkering blijvend geheel moeten weigeren. Niet is gebleken dat het niet nakomen van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW om verwijtbare werkloosheid te voorkomen betrokkene niet in overwegende mate kan worden aangerekend.


4.6.

In de situatie waarin de intrekking of verlaging van een WW-uitkering voortvloeit uit een door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt de intrekking of verlaging op grond van artikel 23, eerste lid, van de WW plaats met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. In artikel 23, tweede lid, van de WW is bepaald dat het eerste lid van dat artikel niet geldt, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.


4.7.

In het geval van betrokkene is de omstandigheid dat hem ten onrechte met ingang

van 2 januari 2012 een WW-uitkering is verstrekt niet aan zijn schuld of toedoen te wijten. De rechtbank had toepassing moeten geven aan artikel 23, eerste lid, van de WW. Omdat de WW-uitkering van betrokkene inmiddels per 1 mei 2014 is beëindigd, dus voordat uitspraak op het hoger beroep van appellant wordt gedaan, is toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW nu niet meer mogelijk.


4.8.

De aangevallen uitspraak zal daarom, met wijziging van gronden, worden bevestigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Het verzoek van appellant om te bepalen dat het Uwv de schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 4 april 2012 dient te vergoeden, wordt toegewezen. De te vergoeden schade omvat de kosten die het Uwv wegens aan betrokkene betaalde WW-uitkering ten onrechte op appellant heeft verhaald. Over die kosten moet wettelijke rente worden vergoed. De wettelijke rente over die kosten is op grond van artikel 4:102, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gaan lopen vanaf de dag dat de verhaalde kosten zijn afgeschreven van de bankrekening van appellant. Na afloop van een jaar dient het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van algehele voldoening.


5. Van voor vergoeding in hoger beroep gemaakte proceskosten is niet gebleken. De bepaling van de rechtbank over vergoeding van kosten in beroep blijft in stand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder overweging 4.8 van deze uitspraak is vermeld;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 478,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) C.M.A.V. van Kleef





MK