Centrale Raad van Beroep, 17-12-2015 / 14-2743 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:4617

Inhoudsindicatie
Beide partijen hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Er is niet komen vast te staan dat betrokkene het werkstuk in zijn portfolio voor examenonderdeel 4.2 heeft geplaatst. Daarvan uitgaande heeft het werkstuk geen deel uitgemaakt van dat examenonderdeel. Onvoldoende feitelijke grondslag dat betrokkene examenfraude heeft gepleegd. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat betrokkene heeft gelogen. Appellant was niet bevoegd om betrokkene om die reden een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank heeft terecht, zij het op onjuiste gronden, het bestreden besluit vernietigd, voor zover dat op de disciplinaire straf en de plaatsing in een andere functie ziet. De Raad zal het besluit van 11 december 2012 herroepen voor zover dat ziet op de disciplinaire straf en de plaatsing in een andere functie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-17
Publicatiedatum
2015-12-18
Zaaknummer
14-2743 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2743 AW, 14/3835 AW

Datum uitspraak: 17 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 april 2014, 13/2353 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil appellant in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de Politieregio [naam regio] (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B. van Dijk, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 14/2046 AW, plaatsgevonden op

25 september 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van der Werf. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk.

In de zaak 10/2046 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1.1.

Betrokkene was werkzaam bij de Regiopolitie [naam regio] , laatstelijk als [naam functie] in de basiseenheid [naam eenheid] , in de rang van [naam rang] en met salarisschaal 9. In 2010 heeft hij de opleiding Operationeel Leidinggevende Leergang (OLL) aan de Politieacademie met succes afgerond. Een van de onderdelen van de OLL is kernopgave 46.6.01 ‘Leidinggeven aan mensen: leidinggeven aan een team van medewerkers’ (kernopgave). Appellant heeft in het kader van zijn opleiding een werkstuk geschreven, waarin hij verslag doet van de uitvoering van de tweede integrale leeropdracht die de afsluiting vormde van Cluster II van de kernopgave (werkstuk).


1.2.

Naar aanleiding van het vermoeden van examenfraude heeft appellant een disciplinair onderzoek tegen betrokkene ingesteld. In dat kader is betrokkene op 26 april en 19 juni 2012 gehoord om zich te verantwoorden. De bevindingen van dat onderzoek zijn voor appellant aanleiding geweest om, nadat hij het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene zijn zienswijze naar voren had gebracht, bij besluit van 11 december 2012 betrokkene wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf op te leggen van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), en wel in salarisschaal 8. Voorts heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 64 van het Barp in het belang van de dienst geplaatst in de functie van medewerker basispolitiezorg-b met de daarbij passende rang en schaal en hem een andere plaats van tewerkstelling gegeven. In overleg met betrokkene is [plaatsnaam] als zijn plaats van tewerkstelling vastgesteld.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 19 juli 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het besluit van 11 december 2012 gehandhaafd met dien verstande dat appellant betrokkene een van de gedragingen die hij aan het besluit van 19 juli 2013 ten grondslag had gelegd niet langer verwijt. De gedragingen die appellant betrokkene nog wel verwijt bestaan uit:

a. a) het overnemen van grote - en voor de studie essentiële - onderdelen van de examenopdracht van W in zijn examenopdracht 2008 en later bij de leeropdracht ‘Appelscha Outdoor’;

b) het met uitzondering van de teamanalyseresultaten zonder toestemming van W overnemen van teksten van W;

c) er geen blijk van geven dat hij zich - zeker als leidinggevende in opleiding - realiseert dat ook zonder toestemming het overnemen van teksten buiten de grenzen van het toelaatbare is;

d) het door knippen en plakken ernstig in verlegenheid brengen van collega’s die in de positie zijn gebracht dat zij dit bij hun leidinggevenden moesten melden;

het door knippen en plakken schaden van het vertrouwen van collega’s waaronder leidinggevenden; en

e) het bij herhaling niet vertellen van de waarheid over het overnemen van de teksten. Het overnemen van de kernkwaliteiten ontkent betrokkene nog steeds, ook al laten de feiten weinig ruimte voor een andere interpretatie.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat:

a. betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend;

b. de maatregel van verplaatsing van betrokkene naar bureau [plaatsnaam] niet onevenredig is;

c. de gedragingen van betrokkene niet van zodanige ernst zijn dat kan worden gezegd dat de straf van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt niet onevenredig is.


3. Beide partijen hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank genoemd in 2 onder c niet juist is. Betrokkene heeft het in 2 onder a weergegeven oordeel van de rechtbank bestreden. Betrokkene heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich niet (langer) verzet tegen het besluit van appellant hem een andere plaats van tewerkstelling, te weten [plaatsnaam] , te geven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 76, eerste lid, van het Barp is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp kan als straf worden opgelegd plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt.


4.1.2.

Ingevolge artikel 64 van het Barp is de ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht een andere functie uit te oefenen dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.


4.2.

Gelet op wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd staat de Raad wat de disciplinaire straf betreft eerst voor de vraag of appellant bevoegd was om betrokkene wegens plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen. Indien dat het geval is, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of sprake was van een dusdanig ernstig plichtsverzuim dat de disciplinaire maatregel van plaatsing in salarisschaal 8 daaraan niet onevenredig is. Wat de maatregel van plaatsing in een andere functie betreft, staat de Raad eerst voor de vraag of sprake was van een bijzonder geval waarin het belang van de dienst vorderde betrokkene te verplichten een andere functie uit te oefenen. Indien dat het geval is, moet vervolgens de vraag beantwoord worden of plaatsing van betrokkene in de functie van medewerker basispolitiezorg-b redelijk is in verband met de persoonlijkheid, de omstandigheden en de vooruitzichten van betrokkene.


4.3.

Kern van de door appellant aan betrokkene verweten gedragingen is dat betrokkene, zonder bronvermelding, teksten van W heeft overgenomen in het in 1.1 bedoelde werkstuk en daarmee examenfraude heeft gepleegd en dat hij daarover heeft gelogen toen hij ter verantwoording werd geroepen. De overige door appellant aan betrokkene verweten gedragingen hebben naar het oordeel van de Raad, los van de hem verweten examenfraude, geen zelfstandige betekenis.


4.4.

Betrokkene betwist niet dat hij, zonder bronvermelding, in zijn werkstuk teksten van W heeft overgenomen, maar volgens hem is van examenfraude geen sprake geweest. Het werkstuk heeft immers geen deel uitgemaakt van het examenonderdeel 4.2 van de kernopgave. Betrokkene wijst er in dit verband op dat hij de vrijheid had om het werkstuk ten behoeve van het betreffende examenonderdeel in zijn portfolio op te nemen, maar dat hij ervoor gekozen heeft dat niet te doen. Betrokkene betwist verder dat hij heeft gelogen toen hij ter verantwoording werd geroepen.


4.5.

De hier van belang zijnde examenopdracht is beschreven in een document getiteld ‘Proeve van bekwaamheid, Examenopdracht(en) behorende bij de kernopgave 46.06.01’ versienummer 2006.05.5. Blijkens die beschrijving betreft het examenonderdeel een verantwoording van het leerproces. Het onderdeel bestaat uit een gesprek dat de examenkandidaat voert met zijn lijnchef en de leerprocesbegeleider over zijn leerproces. Tijdens dit gesprek moet de examenkandidaat zijn leerproces kunnen toelichten en verantwoorden. Daarnaast moet hij voorbeelden kunnen aandragen van situaties waaruit blijkt dat hij bepaalde competenties heeft verworven. Ter voorbereiding van examenonderdeel 4.2 heeft de examenkandidaat op basis van zijn portfolio een leerprocesverslag geschreven. Een uur voorafgaand aan het examen levert de examenkandidaat zijn portfolio bij zijn lijnchef en leerprocesbegeleider in. Zij zullen het portfolio doornemen ter voorbereiding van het gesprek. Tijdens het gesprek over het leerproces wordt dieper ingegaan op het portfolio van de examenkandidaat en het leerprocesverslag. Het examenonderdeel wordt beoordeeld door de lijnchef en de leerprocesbegeleider aan de hand van een vastgesteld beoordelingsformulier. In de toelichting op het beoordelingsformulier is vermeld dat de examenkandidaat zijn portfolio meeneemt naar het examengesprek, dat hij zelf bepaalt welke documenten hij in zijn portfolio opneemt, dat voorafgaande aan het examengesprek de lijnchef en leerprocesbegeleider het portfolio ter voorbereiding doornemen en dat tijdens het examengesprek de examenkandidaat documenten uit het portfolio kan gebruiken om aspecten uit het leerprocesverslag nader toe te lichten.


4.6.

Uit deze beschrijving van de examenopdracht van het examenonderdeel 4.2 en met name uit de toelichting op het beoordelingsformulier leidt de Raad af dat betrokkene de vrijheid had om te bepalen welke documenten hij in zijn portfolio voor examenonderdeel 4.2 opnam. Dit betekent dat betrokkene ervoor kon kiezen om het werkstuk niet in zijn portfolio voor examenonderdeel 4.2 op te nemen. Daaraan staat niet in de weg dat in de tekst van de tweede integrale werkopdracht de aansporing is te lezen om het verslag van de uitvoering van die opdracht in het portfolio te bewaren om het te bespreken in de intervisiegroep en tijdens het derde leerprocesgesprek met de leerprocesbegeleider en lijnchef.


4.7.

Tussen partijen is in geschil of betrokkene het werkstuk in zijn portfolio voor examenonderdeel 4.2 had opgenomen. Betrokkene heeft zijn standpunt dat dit niet het geval is onderbouwd met een drietal op 4 oktober 2012, 7 januari 2013 en 19 mei 2014 gedateerde verklaringen van A, die als beoordelaar van het korps betrokken was bij het afnemen van examenonderdeel 4.2. Uit die verklaringen komt naar voren dat betrokkene A voor het examen een mapje (examenportfolio) heeft overhandigd waarin de te beoordelen stukken zaten voor het betreffende examenonderdeel, dat in dat mapje niet een verslag van de uitvoering van de tweede integrale leeropdracht zat, althans dat A zich dat niet kan herinneren, dat hij dat stuk niet kent en dat het niet is behandeld tijdens het bewuste examen. Appellant heeft geen bewijs aangedragen dat betrokkene het werkstuk wel in zijn portfolio voor examenonderdeel 4.2 had geplaatst.


4.8.

Gelet op wat in 4.7 is overwogen, is niet komen vast te staan dat betrokkene het werkstuk in zijn portfolio voor examenonderdeel 4.2 heeft geplaatst. Daarvan uitgaande heeft het werkstuk geen deel uitgemaakt van dat examenonderdeel. Dat betekent dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene, door zonder bronvermelding teksten van W in zijn werkstuk over te nemen, examenfraude heeft gepleegd.


4.9.

Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat betrokkene, toen hij over het overnemen van teksten ter verantwoording werd geroepen, heeft gelogen. Uit het verslag van het verantwoordingsgesprek van 26 april 2012 blijkt dat betrokkene van meet af aan heeft erkend dat hij voor zijn werkstuk zonder bronvermelding teksten van W heeft overgenomen. Vervolgens heeft betrokkene zijn eigen visie gegeven op de gebeurtenissen. De enkele omstandigheid dat betrokkene steeds heeft ontkend dat hij in het werkstuk de kernkwaliteiten van W heeft overgenomen, maar te kennen heeft gegeven dat het toeval wil dat hij dezelfde kernkwaliteiten als W heeft, betekent niet dat hij heeft gelogen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, zoals ook door de bezwarenadviescommissie is overwogen, betrokkene en W bij deze opdracht gebruik moesten maken van hetzelfde bronmateriaal, betrekking hebbende op hetzelfde (kleine) team, hetgeen de kans vergroot dat dit voor beiden tot overeenkomstige conclusies leidt.


4.10.

Appellant heeft zodoende niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene examenfraude heeft gepleegd of heeft gelogen toen hij ter verantwoording werd geroepen. Appellant was dan ook niet bevoegd om betrokkene om die reden een disciplinaire straf op te leggen. Evenmin was sprake van een bijzonder geval waarin het belang van de dienst vorderde betrokkene te verplichten een andere functie uit te oefenen. Dit betekent dat de andere in overweging 4.2 weergegeven vragen geen bespreking behoeven.

4.11.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt en dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De rechtbank heeft terecht, zij het op onjuiste gronden, het bestreden besluit vernietigd, voor zover dat op de disciplinaire straf en de plaatsing in een andere functie ziet. Aangezien het besluit van 11 december 2012 hetzelfde gebrek vertoont als het bestreden besluit en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar kan worden hersteld, bestaat geen aanleiding appellant op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene zoals de rechtbank heeft gedaan. Wel bestaat aanleiding om het besluit van 11 december 2012 te herroepen voor zover dat ziet op de disciplinaire straf en de plaatsing in een andere functie. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 11 december 2012 herroepen voor zover dat ziet op de disciplinaire straf en de plaatsing in een andere functie. De aangevallen uitspraak, voor zover deze door betrokkene is aangevochten, komt voor het overige, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak, voor zover deze door appellant is aangevochten, komt eveneens voor bevestiging in aanmerking.


5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in kosten van betrokkene. De kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw

besluit neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de uitspraak;

- herroept het besluit van 11 december 2012 voor zover dat ziet op de disciplinaire straf en de

plaatsing in een andere functie en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt

van het door de rechtbank vernietigde besluit van 19 juli 2013;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 493,-;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.960,-.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) J.L. Meijer


HD