Centrale Raad van Beroep, 17-12-2015 / 13-5090 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:4618

Inhoudsindicatie
Er bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten eerst de bezoldiging te betalen en niet een suppletie te verlenen. Nu appellant de hoogte van de op de salarisspecificatie vermelde bezoldiging op zich niet heeft betwist, is het bezwaar tegen de salarisspecificatie terecht ongegrond verklaard.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-17
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
13-5090 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2016/36
  • TAR 2016/33
  • USZ 2016/54
  • JB 2016/47
Uitspraak

13/5090 AW, 13/5091 AW

Datum uitspraak: 17 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2013, 12/11318 (aangevallen uitspraak 1), en van 21 augustus 2013, 13/2995 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van Raaij hoger beroepen ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 15/1570 AW, plaatsgevonden op

24 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door [R]. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot en mr. A.J. van Heusden. In de gevoegde zaak is het onderzoek heropend.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1987 in dienst getreden van het ministerie van Defensie en was laatstelijk aangesteld als [naam functie A] bij

[naam afdeling].


1.2.

Bij besluit van 16 april 2009 heeft de minister appellant met ingang van 1 augustus 2009 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid in de zin van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Bij uitspraak van

6 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV8026, heeft de Raad dit besluit herroepen. Hieraan is, samengevat, ten grondslag gelegd dat de minister niet heeft voldaan aan zijn in artikel 116, tweede lid, van het Bard vervatte verplichting tot het verrichten van een herplaatsingsonderzoek. De minister was daarom niet bevoegd appellant te ontslaan op de gebezigde grond en zal, alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een deugdelijk herplaatsingsonderzoek moeten verrichten. Verder heeft de Raad, in het kader van het verzoek van appellant om de minister te veroordelen in de door hem geleden inkomensschade, overwogen dat appellant ten gevolge van de herroeping van het ontslag recht heeft op betaling van bezoldiging.


1.3.

Blijkens een salarisspecificatie van 10 mei 2012 (salarisspecificatie) zijn naar aanleiding van de uitspraak van de Raad nabetalingen aan appellant gedaan. Bij brief van 24 mei 2012 is aan appellant meegedeeld dat hij als gevolg van de uitspraak van de Raad met terugwerkende kracht per 1 augustus 2009 weer in dienst komt.


1.4.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar tegen de brief van 24 mei 2012 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de salarisspecificatie ongegrond verklaard. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 24 mei 2012 is ten grondslag gelegd dat die brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant al door de uitspraak van de Raad met terugwerkende kracht per 1 augustus 2009 in dienst is gekomen en die brief van

24 mei 2012 niets aan de rechtspositie van appellant verandert. Aan de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de salarisspecificatie is het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft tegen de salarisspecificatie ingebracht dat de minister hem een suppletie op zijn na het ontslag van de minister ontvangen wachtgeld had moeten verlenen, ter hoogte van het verschil tussen de bezoldiging waarop hij recht had en het feitelijk genoten wachtgeld. Daarmee zou zijn voorkomen dat hij het wachtgeld thans volledig bruto dient terug te betalen. De minister acht de gedane nabetaling echter juist. De Raad heeft immers overwogen dat appellant recht heeft op betaling van bezoldiging. Het verlenen van een suppletie op het wachtgeld zou onzuiver en onrechtmatig zijn. Omdat appellant met terugwerkende kracht weer in dienst is gekomen, dient hij zijn volledige bezoldiging te ontvangen en dient hij het ontvangen wachtgeld terug te betalen, omdat hij daar achteraf geen recht op heeft. Het verlenen van een suppletie, zoals door appellant gewenst, is niet mogelijk. Het wachtgeld en de bezoldiging worden uit verschillende begrotingen betaald en dienen los van elkaar te worden gezien. Een eventueel fiscaal nadeel kan door middel van een herziening van aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren worden hersteld. Ook is het mogelijk bij de Belastingdienst een verzoek tot middeling in te dienen.


1.5.

Bij besluit van 7 november 2012 heeft de minister, naar aanleiding van de ingebrekestelling inzake het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de brief van 24 mei 2012, meegedeeld dat hij aan appellant een dwangsom van € 140,- is verschuldigd. Hierbij is tevens vermeld dat over dit bedrag loonbelasting wordt ingehouden.


1.6.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De minister heeft bij brief van

10 december 2012 de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Daarbij is, onder bijvoeging van de begeleidende brief aan de Belastingdienst, vermeld dat, voor zover het bezwaar is gericht tegen de inhouding van de loonbelasting over de dwangsom, het bezwaarschrift is doorgezonden aan de Inspecteur der Belastingen. Bij besluit van 12 maart 2013 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar, voor zover gericht tegen de hoogte van de dwangsom, ongegrond verklaard.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Aangevallen uitspraak 1


3.1.

Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dat hij de

niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 24 mei 2012 niet langer bestrijdt.


3.2.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat in het bestreden besluit 1 ten onrechte is gesteld dat het verlenen van een suppletie op het wachtgeld onrechtmatig zou zijn. Indien een suppletie was verleend, had het heen en weer schuiven van geld kunnen worden voorkomen en had hij geen (belasting)schade geleden, aldus appellant.

3.3.

De Raad stelt voorop dat het bezwaar van appellant tegen de salarisspecificatie niet gericht was tegen (de vaststelling van) de hoogte van de aan appellant vanaf 1 augustus 2009 toekomende bezoldiging, maar tegen het ontbreken van een gelijktijdig besluit tot verrekening van die bezoldiging met het vanaf 1 augustus 2009 uitbetaalde wachtgeld en de bijbehorende feitelijke verrekening bij de uitbetaling; door partijen aangeduid als het niet verlenen van een suppletie op het wachtgeld.


3.4.

Voor zover de minister van opvatting is dat het verlenen van een suppletie in strijd zou komen met de onder 1.2 bedoelde uitspraak van de Raad van 6 oktober 2011 en daarmee onrechtmatig zou zijn, deelt de Raad die opvatting niet. Met de overweging in die uitspraak, dat appellant ten gevolge van de herroeping van het ontslag recht heeft op betaling van bezoldiging, is geenszins geoordeeld dat dit recht niet kan worden verwezenlijkt door een nabetaling van de bezoldiging minus het ten onrechte ontvangen wachtgeld. Dat het verlenen van een suppletie op het wachtgeld tot aan het bedrag van de bezoldiging onrechtmatig zou zijn, gaat dan ook uit van een onjuiste lezing van de uitspraak van de Raad. Gewezen wordt nog op artikel 117 van de Ambtenarenwet (AW), dat de mogelijkheid van verrekening regelt. Het bestreden besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op het bezwaar tegen de salarisspecificatie, berust dan ook niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in

artikel 7:12 van de Awb.


3.5.

De Raad ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat het verlenen van een suppletie op het wachtgeld onrechtmatig zou zijn, betekent niet dat de uitbetaling van de volledige bezoldiging zonder verrekening met het wachtgeld onrechtmatig is. Uit artikel 117 van de AW volgt dat verrekening een bevoegdheid en geen verplichting is. Voor de minister was de betaling van de bezoldiging met terugwerkende kracht een eerste stap in de financiële uitvoering van de uitspraak van de Raad. Die stap werd temeer nodig geacht, nu het ontbreken van die financiële uitvoering voor appellant een belemmering was gebleken voor het aangaan van een gesprek over het te volgen herplaatsingstraject. Hierbij kwam dat KPMG namens de minister de wachtgeldregeling uitvoerde, waardoor het niet mogelijk was op korte termijn tot een definitieve nabetaling te komen op basis van het verschil tussen de bezoldiging en de ontvangen wachtgelduitkering. Ook al ligt het in beginsel in de rede dat de minister in een situatie als hier aan de orde de na te betalen bezoldiging verrekent met het wachtgeld, onder de hiervoor genoemde omstandigheden bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten eerst de bezoldiging te betalen en niet een suppletie te verlenen. Nu appellant de hoogte van de op de salarisspecificatie vermelde bezoldiging op zich niet heeft betwist, is het bezwaar tegen de salarisspecificatie terecht ongegrond verklaard.


3.6.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de minister bij de latere besluitvorming over het terugvorderen van het ontvangen wachtgeld zorgvuldig heeft gehandeld. Die vraag ligt in dit hoger beroep echter niet ter beantwoording voor, omdat het bestreden besluit 1 daarover niet gaat en ook niet hoefde te gaan.


3.7.

Uit 3.1 tot en met 3.6 volgt dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.


Aangevallen uitspraak 2

3.8.

Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dat hij zich niet (langer) verzet tegen de doorzending van het bezwaarschrift aan de Inspecteur der Belastingen en evenmin tegen de hoogte van de dwangsom. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Gelet op wat onder 3.4 is overwogen bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellant in aanmerking voor de door hem gevraagde vergoeding van de reiskosten voor de zitting van de Raad. Deze reiskosten, berekend op basis van openbaar vervoer tweede klas, bedragen € 24,16. Voor de door appellant gevraagde veroordeling van de minister in de kosten van rechtsbijstand bestaat geen aanleiding. De Raad heeft in de onder 1.2 bedoelde uitspraak van 6 oktober 2011 overwogen dat de door [R] verleende rechtsbijstand aan appellant niet als beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt. De Raad ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Ter zitting van de Raad is het volgende gebleken. Appellant en

[R] zijn oud-collega’s. [R] heeft nimmer uit eigen beweging declaraties aan appellant verstuurd. Pas nadat appellant [R] betrekkelijk kort voor de zitting van de Raad hierom heeft verzocht, heeft [R] declaraties over de jaren 2012 tot en met 2015 opgemaakt en aan appellant verstuurd. De declaraties zijn in kopie bij brief van

19 augustus 2015 aan de Raad verstuurd. Deze ongedateerde declaraties, die onderscheidenlijk € 16.180,12, € 27.566,22, € 3.937,34 en € 3.499,32 bedragen, zijn voorzien van de vermelding “Gaarne betaling binnen 14 dagen na factuurdatum op bankrekeningnummer (...) onder vermelding van factuurnummer”. Appellant heeft geen betalingen aan [R] verricht. [R] heeft hierover desgevraagd verklaard dat hij met appellant de afspraak heeft gemaakt dat appellant hem betaalt als hij bij machte is te betalen. Voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden de Raad tot het oordeel dat de rechtsbijstand die [R] aan appellant heeft verricht, niet is aan te merken als beroepsmatig verleende rechtsbijstand, maar als een vriendendienst. De stelling van appellant dat de rechtbank [woonplaats] in een zaak van T. Kofman, waarin [R] ook als gemachtigde heeft opgetreden, wel tot een veroordeling in de kosten van rechtsbijstand is gekomen, leidt niet tot een ander oordeel over de aan appellant verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;- bevestigt de aangevallen uitspraak 2;- bepaalt dat de minister het in beroep ten aanzien van het besluit van 30 oktober 2012

betaalde griffierecht en het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 395,- aan

appellant vergoedt;

- veroordeelt de minister in de reiskosten van appellant tot een bedrag van € 24,16.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD