Centrale Raad van Beroep, 15-12-2015 / 14/4335 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:4623

Inhoudsindicatie
Belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf van beide betrokkenen in dezelfde woning op één van die adressen. Verstandelijke beperking in verhouding tot afgelegde verklaringen aan een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist, vaste rechtspraak. Uit de verklaringen van appellante, anders dan de Svb heeft betoogd, kan niet worden afgeleid dat P zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had. Evenmin bieden de overige onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor die conclusie. Verder zijn de verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres onvoldoende specifiek en concreet. De Svb was niet bevoegd tot intrekking van de Anw en herziening van AOW en evenmin tot terugvordering daarvan. De Raad voorziet zelf in de zaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-15
Publicatiedatum
2015-12-18
Zaaknummer
14/4335 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4335 ANW

Datum uitspraak: 15 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2014, 13/5482 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.A. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F. Jansen, kantoorgenoot van mr. Bakker. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft over de periode van 1 november 2003 tot 1 maart 2011 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) ontvangen. Sinds 1 maart 2011 ontving zij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde. Appellante staat sinds 16 januari 2001 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

[Naam P.] (P) ontving sinds 30 april 2000 van het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. P stond van 28 april 2000 tot 10 december 2004 ingeschreven in de GBA op het adres [Adres A] te [woonplaats]. Sinds 10 december 2004 staat hij ingeschreven in de GBA op het adres [Adres B] te [woonplaats].


1.3.

Op 24 oktober 2011 is bij de Svb een schriftelijke melding binnengekomen, onder meer inhoudende dat appellante met P samenwoont. Na contact met de gemeente [woonplaats] bleek door die gemeente eenzelfde melding te zijn ontvangen. Naar aanleiding van die melding heeft de Regionale Sociale Recherche [woonplaats] (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan P verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen en observaties in de woningomgeving van P en appellante verricht, buurtbewoners van het uitkeringsadres als getuigen gehoord en P en appellante op 6 juni 2012 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 8 juni 2012. Naar aanleiding van de met toestemming van de officier van justitie verkregen onderzoeksbevindingen van de sociale recherche hebben sociaal rechercheurs in dienst van de Svb (sociaal rechercheurs) een aanvullend onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs appellante op 19 december 2012 en P op 20 december 2012 verhoord. De bevindingen van dit aanvullend onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 20 februari 2013.


1.4.

Bij vier afzonderlijke besluiten van 12 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante over de periode van november 2003 tot en met februari 2011 ingetrokken, de ten onrechte betaalde nabestaandenuitkering tot een bedrag van € 97.196,96 van appellante teruggevorderd, het ouderdomspensioen met ingang van 1 maart 2011 herzien naar het pensioen voor gehuwden en het over de periode van maart 2011 tot en met maart 2013 ten onrechte betaalde ouderdomspensioen tot een bedrag van € 8.433,27 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 november 2003 een gezamenlijke huishouding met P voerde, waarbij zij allebei hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden.


1.5.

Met ingang van 1 februari 2014 heeft de Svb appellante weer in aanmerking gebracht voor een ouderdomspensioen voor een ongehuwde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij en P een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf op hetzelfde adres. Er is geen toereikende grondslag voor de conclusie dat P zijn hoofdverblijf bij appellante had, P woonde in zijn eigen woning. Appellante heeft aangevoerd dat zij vanwege haar verstandelijke beperkingen niet aan haar verklaringen kan worden gehouden. Verder kan uit de waarnemingen, observaties en verklaringen van de buurtbewoners alleen worden afgeleid dat P vaak bij appellante was, maar niet dat hij zijn hoofdverblijf in haar woning had. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat, indien wel wordt geoordeeld dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, dit niet geldt voor de gehele door de Svb vastgestelde periode, omdat uit de verklaringen van appellante en P in december 2012 blijkt dat na juni 2012 sprake is van een gewijzigde situatie, in die zin dat P de sleutel heeft teruggegeven aan appellante en niet meer blijft slapen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 november 2003 tot en met 12 april 2013 (te beoordelen periode).


4.2.

De besluiten tot intrekking van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen als hier aan de orde zijn voor de betrokkene belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en herziening is voldaan, in beginsel op het bestuursorgaan rust.


4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw en artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

Het aanhouden van afzonderlijke adressen staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf van beide betrokkenen in dezelfde woning op één van die adressen. Ten aanzien van ieder van betrokkenen afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld in welke van de woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. De mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen (vergelijk de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2119).


4.5.

Appellante en P beschikken ieder over een eigen vrij ter beschikking staande woning op een ander adres en staan daar ook ingeschreven. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. De Svb diende, gelet op de in 4.2 weergegeven bewijslastverdeling, aannemelijk te maken dat niet alleen appellante maar ook P in de te beoordelen periode het hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad.


4.6.

De beroepsgrond dat appellante vanwege haar verstandelijke beperkingen niet aan haar verklaringen kan worden gehouden, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. In de verklaring van J.L. van der Geld, psychiater, van 25 februari 2014 staat weliswaar dat appellante op een licht verstandelijk beperkt intelligentieniveau functioneert, maar hieruit volgt niet dat zij daardoor niet zou kunnen verklaren over haar feitelijke woonsituatie. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. In dit verband is van betekenis dat haar verklaringen concreet en gedetailleerd zijn en dat zij deze, na voorlezing, heeft ondertekend. Uit het proces-verbaal blijkt verder dat appellante overleg heeft gehad met een advocaat en dat appellante heeft verklaard dat zij goed is behandeld. Dit betekent dat de Svb, anders dan appellante betoogt, de door appellante afgelegde verklaringen in de besluitvorming heeft kunnen betrekken.


4.7.

De beroepsgrond dat uit de verklaringen van appellante, anders dan de Svb heeft betoogd, niet kan worden afgeleid dat P zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had, slaagt wel. Appellante heeft op 6 juni 2012 weliswaar verklaard dat zij en P veel samen zijn en dat P veel bij haar is, maar zij heeft ook het volgende verklaard: “U vraagt mij hoeveel dagen en nachten wij nu gezamenlijk doorbrengen. Meestal is dat een dag of drie of vier bij mij en dan weer een dag of drie bij Jan. Daar tussen kan dan één dag of twee dagen zitten dat we alleen zijn. […] als hij bij mij is dan eet hij van mij en als ik bij hem ben dan eet ik van hem”. Appellante heeft op 19 december 2012 haar verklaring van 6 juni 2012 bevestigd en verder onder meer verklaard dat zij ook wel eens een wasje voor P doet, maar dat hij ook wast op zijn eigen adres. Uit deze verklaringen kan niet worden afgeleid dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van P zich in de woning van appellante bevond. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de verklaringen van P. Hij heeft ontkend dat appellante en hij het merendeel van de tijd samen zijn en heeft onder meer verklaard dat hij zijn eigen woning schoonmaakt en dat hij ook zelf zijn kleren wast.


4.8.

De beroepsgrond dat de overige onderzoeksbevindingen evenmin een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat P zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad, slaagt ook.


4.8.1.

Uit het verslag van de observaties in de periode van 20 april 2012 tot en met 15 mei 2012 blijkt weliswaar dat P zeer regelmatig de woning van appellante binnenging, maar daaruit blijkt ook dat zijn verblijf in de woning vaak van korte duur was. P heeft tijdens het verhoor van 6 juni 2012, nadat hem is voorgehouden dat uit de observaties is gebleken dat hij de hele dag in- en uitliep bij appellante, het volgende verklaard: “Ik word gek thuis. Ik loop de hele dag heen en weer”. Uit de observaties blijkt niet of en met welke frequentie P ook

’s nachts in de woning van appellante verbleef. Voorts is van belang dat de woning van P op zeer korte loopafstand van de woning van appellante ligt. Er zijn geen vergelijkbare observaties bij de woning van P gedaan. De sociale recherche heeft evenmin buurtbewoners nabij de woning van P gehoord. Appellante heeft daarentegen een ondertekende verklaring van een voormalige buurvrouw van P overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat P op zijn eigen adres weleens een aanvaring met deze buurvrouw heeft gehad omdat hij heel vaak zijn huis inging en er weer uitging en daarbij zo met de voordeur gooide.


4.8.2.

Voorts zijn de verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres onvoldoende specifiek en concreet. Daaruit blijkt immers onvoldoende of de verklaring dat op het uitkeringsadres een man en een vrouw wonen, is gebaseerd op concrete feitelijke waarnemingen of dat dit slechts indrukken van de buurtbewoners zijn. Daarbij is van belang dat de verklaringen van de buurtbewoners in grote lijnen overeenkomen met de verklaringen van appellante en P en de observaties. Een buurtbewoner van het uitkeringsadres verklaarde over P: “Hij komt elke dag heel vaak langs. We noemen hem de wandelaar”. Ook een andere buurtbewoner heeft verklaard dat P de hele dag heen en weer loopt. Gelet op het frequent heen en weer lopen van P, is verklaarbaar dat buurtbewoners van appellante meenden dat P bij appellante woonde, maar staat op grond van die verklaringen niet vast dat dit ook zo was.


4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en P in de te beoordelen periode beiden hoofdverblijf hadden in de woning van appellante, zodat de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan geen bespreking behoeft.


4.10.

Uit 4.9 volgt dat de Svb niet bevoegd was tot intrekking van de nabestaandenuitkering en herziening van het ouderdomspensioen en evenmin tot terugvordering van de nabestaandenuitkering en het ouderdomspensioen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad acht het, gelet op het tijdsverloop, uitgesloten dat het gebrek dat kleeft aan dat besluit thans nog kan worden hersteld. De Raad ziet dan ook aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door de besluiten van 12 april 2013 te herroepen.


5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 oktober 2013;

- herroept de besluiten van 12 april 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 1 oktober 2013;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.940,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en G.M.G. Hink en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.








(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) J.L. Meijer






Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.



HD