Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/ 5898 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4637

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. beperkingen niet onderschat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
14/ 5898 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/ 5898 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

17 september 2014, 14/1128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2015. Voor appellante is verschenen mr. Van Alphen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaat omdat zij met ingang van 12 november 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 4 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 18 maart 2014 voldoende heeft toegelicht waarom er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen en een urenbeperking aan te nemen.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet juist is. Appellante voert daarbij aan dat haar functionele mogelijkheden zijn onderschat, dat er een urenbeperking had moeten worden aangenomen en dat uit de beperking betreffende omgevingsgeluid niet duidelijk is hoeveel decibel wel is toegestaan. Niet vastgesteld kan worden wanneer zich daarbij een overschrijding voordoet van de geluidsbelasting c.q. beperking van appellante voor lawaai. Appellante stelt tevens dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen, omdat zij daarbij teveel wordt blootgesteld aan omgevingsgeluiden.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellante in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.


4.2.

Voor zover de gronden betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 18 maart 2014. Dat rapport bevat een samenvatting van de gegevens uit het dossier en van de informatie van de behandelend sector, de medische bezwaren van appellante, een verslag van de hoorzitting en een bespreking van de bezwaren van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tevens de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, die appellante heeft onderzocht, in aanmerking genomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich volledig vinden in de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De beperkingen passen bij de door de behandelend neuroloog in maart 2012 geobjectiveerde problematiek van het postcommotioneel/whiplashsyndroom, waarbij op de beeldvormende onderzoeken geen afwijkingen zijn gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet op grond daarvan geen aanleiding om naast de vastgestelde beperkingen op energetische, preventieve of beschikbaarheidsgronden aanvullend nog een urenbeperking toe te kennen en komt tevens tot de conclusie dat de beperking voor omgevingsgeluid al is vastgesteld in de Functionele Mogelijkheidslijst (FML). De Raad is niet gebleken van objectief-medische aanknopingspunten om de wijze waarop door de primaire verzekeringsarts de beperkingen zijn vastgesteld in de FML van 20 september 2013 onvoldoende of onjuist te achten. Voor de beperking betreffende omgevingsgeluid, heeft de primaire verzekeringsarts blijkens het rapport van 20 september 2013 een beperking opgenomen in verband met de whiplashklachten van appellante die ziet op het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Deze is omschreven als ‘niet teveel omgevingslawaai zoals van machines’ zodat dit niet valt uit te drukken in een decibelwaarde.


4.3.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellante in medisch opzicht in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 april 2014. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg hierover met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de blootstelling van appellante aan lawaai of veel mensen, vastgesteld dat het staan op een vakbeurs niet geschikt is voor appellante. De functie verkoper groothandel met SBC-code 317012 is daarom komen te vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geeft vervolgens te kennen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het werken in een kleine productieomgeving acceptabel vindt, waaronder het werken in een kantoortuin, zodat appellante geschikt is de overige geselecteerde functies te vervullen. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Daarbij wordt in het midden gelaten of de functie van telefoniste/receptioniste met SBC-code 515204 voor appellante geschikt is. Het eventueel vervallen van die functie zou namelijk niet resulteren in een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.


4.4.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat er geen aanleiding is schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe te kennen zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak.
  • - wijst het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente af.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) W. de Braal







RH