Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 15/2893 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:4640

Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het bezwaar was niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
15/2893 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2893 AWBZ

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 maart 2015, 14/5807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Klootwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klootwijk. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.I. Algoe.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 9 januari 2014 heeft het Zorgkantoor aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) van € 17.028,63 verleend voor de periode van 1 januari 2013 tot en met

31 december 2013. Het Zorgkantoor heeft in dit besluit het volgende medegedeeld:

“(…) Op dit moment bereiden wij ons voor op de invoering van trekkingsrechten. U krijgt dan geen pgb meer van ons betaald, maar wij maken uw pgb over naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB betaalt uw zorgverleners(s) als u hiervoor een opdracht hebt gegeven.


Het is nog niet bekend wanneer in 2014 wij deze trekkingsrechten precies invoeren. Dat hangt af van de uitkomst van een proef die momenteel loopt. Wij informeren u hierover ten minste twee maanden van tevoren. (…)”.


1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2014. Hij acht het onjuist dat verdere betalingen van het pgb in het vervolg via de SVB verlopen.


1.3.

Bij besluit van 8 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 9 januari 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellant tegen het besluit van

9 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaar en beroep zich richten op de passage in het besluit van 9 januari 2014 inzake de invoering van trekkingsrechten. Deze passage is niet op rechtsgevolg gericht, omdat het enkel een mededeling van algemene informatieve aard betreft, waarin wordt aangekondigd dat trekkingsrechten zullen worden ingevoerd en dat appellant over de precieze datum van invoering daarvan ten minste twee maanden voorafgaand aan de invoering wordt geïnformeerd. Dat betekent dat deze passage niet kan worden aangemerkt als een (onderdeel van) besluit waartegen bezwaar openstaat, zodat het Zorgkantoor appellant niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn bezwaar.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de mededeling inzake de invoering van de trekkingsrechten wel op rechtsgevolg is gericht, omdat hij op dat moment de negatieve gevolgen, die later zouden plaatsvinden, voorzag.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank op grond van het bezwaarschrift in samenhang met het beroepschrift vastgesteld dat het bezwaar in de procedure met registratienummer

14/5807 AWBZ, zich alleen richt tegen de onder 1.1 aangehaalde mededeling in het besluit van 9 januari 2014 inzake de invoering van trekkingsrechten. Ten aanzien van deze mededeling heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het een mededeling van algemene informatieve aard betreft. De enkele aankondiging dat op een bepaald, in de toekomst gelegen tijdstip, trekkingsrechten zullen worden ingevoerd, is niet gericht op enig rechtsgevolg. Het bezwaar was derhalve niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, het Zorgkantoor het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter, in tegenwoordigheid van

D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.



(getekend) D.S. de Vries




(getekend) D. van Wijk



UM