Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14/2361 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4648

Inhoudsindicatie
Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant in eerste aanleg aangevoerde medische gronden beoordeeld en met juistheid te kennen gegeven waarom deze gronden niet slagen. De beroepsgrond dat de verzekeringsarts in het geval van appellant het interpretatiekader van het CBBS niet heeft gevolgd is verder niet onderbouwd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Uitgaande van een juiste vaststelling van de FML van appellant is er geen reden te twijfelen aan de medische passendheid van de voor appellant geselecteerde functies, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
14/2361 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2361 WIA

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 maart 2014, 13/6806 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015, waar appellant, met bericht, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak.


1.2.

Appellant heeft zich op 27 april 2011 ziek gemeld wegens concentratieproblemen, last van spanningen, depressiviteit en duizeligheidsklachten.


1.3.

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 24 april 2013 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 45%. Na bezwaar heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich vinden in de beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 februari 2013. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is afgeweken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige, omdat niet met zekerheid is vast te stellen of appellant, gezien zijn klachten, het werk als magazijn-, expeditiemedewerker aankan. Op grond van de overige geselecteerde functies komt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie dat appellant voor 46,04% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 18 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2013 ongegrond verklaard, omdat de loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 24 april 2013 onveranderd gebaseerd blijft op een arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 80%.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant allereerst een aantal algemene klachten aangevoerd over de onderzoeksmethoden van verzekeringsartsen en de wijze van toetsing daarvan door de rechtbank.


3.2.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling dient plaats te vinden binnen het interpretatiekader van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en dat de verzekeringsarts in zijn specifieke geval dit interpretatiekader ten onrechte niet heeft gevolgd.


3.3.

Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat sprake is van een onvoldoende zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat zijn medische beperkingen niet correct zijn vastgesteld en dat hij ten onrechte niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geacht in het kader van de IVA. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport overgelegd van Instituut Psychosofia van 16 juli 2014.


3.4.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Ten aanzien van de algemene klachten over de onderzoeksmethoden van de verzekeringsartsen en de wijze van toetsing daarvan door de rechtbank verwijst de Raad naar zijn ter zake gevormde rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9828. Het is juist dat de bestuursrechter op voorhand een bepaalde waarde toekent aan de rapporten van verzekeringsartsen (bezwaar en beroep), maar dit brengt niet mee dat belanghebbenden in de feitelijke onmogelijkheid zouden verkeren ooit aan een bewijslast te kunnen voldoen. In de eerste plaats kan ook door medische leken gewezen worden op inconsistenties of niet concludente overwegingen in een rapport van een verzekeringsarts (bezwaar en beroep). Daarnaast is het mogelijk met behulp van een rapport van een reguliere arts aan te tonen dat de medische beoordeling niet juist is geweest.


4.2.

De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant in eerste aanleg aangevoerde medische gronden beoordeeld en met juistheid te kennen gegeven waarom deze gronden niet slagen. De beroepsgrond dat de verzekeringsarts in het geval van appellant het interpretatiekader van het CBBS niet heeft gevolgd is verder niet onderbouwd.


4.3.

Met de rechtbank is de Raad tevens van oordeel dat er geen reden bestaat om aan te nemen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant onzorgvuldig of onjuist is verricht of dat de beperkingen niet goed zijn weergegeven in de FML. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en informatie van de behandelend sector geraadpleegd. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in bezwaar is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek, dossierstudie, de aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de hoorzitting en nadere informatie vanuit de behandelend sector, waaronder tevens de in bezwaar overgelegde rapporten van Instituut Psychosofia van 12 juni 2013 en 2 juli 2013. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juli 2013, nader aangevuld bij rapport van

15 augustus 2013, bevat deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige conclusies die zowel betrekking hebben op de fysieke als de psychische gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij nog opgemerkt dat met betrekking tot de diabetes al in voldoende mate een verminderde belastbaarheid is aangenomen door de fysieke inspanning te beperken en dat bovendien al rekening is gehouden met duizeligheidsklachten van appellant. Er zijn geen extra beperkingen ten aanzien van bedplassen en medicijngebruik nodig, waarbij wat betreft het medicijngebruik geldt dat appellant door andere aandoeningen al beperkt is voor risicovolle plaatsen vanwege duizeligheidsklachten. De stukken van Instituut Psychosofia die door appellant in bezwaar zijn toegezonden, geven de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om hierover anders te oordelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 augustus 2013 gemotiveerd te kennen gegeven waarom uit die rapporten niet kan worden afgeleid dat appellant meer beperkt moet worden geacht.


4.4.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die twijfel oproept over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Aan het door appellant ingebrachte commentaar van Instituut Psychosofia van

16 juli 2014 hecht de Raad niet die waarde die appellant eraan gehecht wenst te zien.


4.5.

Uitgaande van een juiste vaststelling van de FML van appellant is er geen reden te twijfelen aan de medische passendheid van de voor appellant geselecteerde functies, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de arbeidsdeskundige in bezwaar van 16 september 2013 voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. De verdiensten in deze functies resulteren in een verlies aan verdiencapaciteit van 46,04%. Het Uwv heeft dan ook terecht het recht van appellant op een WGA-uitkering met ingang van 24 april 2013 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 80%.


4.6.

Met betrekking tot het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in bezwaar oordeelt de Raad met verwijzing naar zijn uitspraak van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:4471 als volgt. Bij besluit van 12 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 45% bedraagt. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 46,04% en daardoor de resterende verdiencapaciteit gewijzigd. Aangezien de resterende verdiencapaciteit van belang is voor de vaststelling van de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis, heeft de wijziging van de resterende verdiencapaciteit ook een wijziging van de rechtspositie tot gevolg. Dit betekent dat sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. Het Uwv heeft ten onrechte het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en ten onrechte de kosten in bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking gebracht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep moet alsnog gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij het primaire besluit niet is herroepen en vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen.


6. Gelet op de omstandigheid dat de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit uitsluitend verband houdt met de niet toegekende vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar, dient het gedane verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade te worden afgewezen.


7. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.005,- in bezwaar,

€ 980,- in beroep en € 490,- in hoger beroep. De kosten betreffende de rapporten van het Instituut Psychosofia komen, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4323, niet voor vergoeding in aanmerking.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 september 2013, voor zover daarbij vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen;
  • - herroept het besluit van 12 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 september 2013;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 164,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) M. Crum


UM