Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14/4712 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:4653

Inhoudsindicatie
Verzoek om terug te komen van de weigering een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Overgangsrecht invoering van de Wajong. Beoordeling aan de hand van de AAW. 1) Verleden. De inhoud van de door appellant ingebrachte rapporten en verklaringen bieden geen grond voor de conclusie dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om niet terug te komen van het besluit van 18 februari 2010. Het bestreden besluit berust op een inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd rapport van de verzekeringsarts. 2) Toekomst. Geen feiten of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat het besluit van 18 februari 2010 wat de toekomst betreft onjuist is geweest. Ook met betrekking tot dit aspect dat aanvankelijk niet door het Uwv is beoordeeld, had de aanvraag moeten worden afgewezen door het Uwv. Omdat appellant hierdoor niet zal worden benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit ondanks de schending van artikel 7:12 van die wet in stand worden gelaten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
14/4712 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4712 WWAJ

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 augustus 2014, 14/1705 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Til, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 4 augustus 2015 gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mrs. J.S. van der Landen, A.A.I.M. van Niekerk en K. Busuladzic, advocaten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1960. Bij beslissing op bezwaar van 22 april 2005 is hem met ingang van 25 november 2005 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Op 26 november 2009 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) gedaan omdat hij vanaf zijn jeugd een schizo-affectieve stoornis en een ernstige depressieve stoornis heeft. Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het Uwv bepaald dat het recht van appellant op een uitkering op grond van de Wajong niet kon worden vastgesteld omdat niet kon worden vastgesteld of hij [in] 1978 meer dan 25% arbeidsongeschikt was.


1.3.

Bij brief van 13 september 2013 heeft appellant zijn dienstkeuringsrapporten van

25 januari 1978 en 2 april 1979 aan het Uwv gestuurd. In de brief heeft hij vermeld dat hem bij de beoordeling van zijn aanvraag in 2009 te kennen was gegeven dat hij informatie moest opvragen om vast te kunnen stellen of hij in de periode waarin hij 17 en 18 jaar oud was al last had van een psychische stoornis. Bij brief van 7 oktober 2013 heeft hij ten behoeve van zijn aanvraag het Uwv een verklaring van zijn huisarts van 3 oktober 2013 gezonden waarin is vermeld dat het de huisarts bekend is dat appellant op jeugdige leeftijd (17-18 jaar) zwaar met drugs in aanraking is gekomen en depressiviteit heeft ontwikkeld.


1.4.

Naar aanleiding van deze informatie heeft een verzekeringsarts van het Uwv in zijn, op basis van dossierstudie opgestelde, rapport van 1 november 2013 vermeld dat het lijkt dat rond het 18e jaar psychiatrische problematiek is ontstaan bij appellant. De bij de aanvraag meegestuurde gegevens zijn echter niet toereikend om het functioneren, de beperkingen en mogelijkheden voor arbeid op de dag dat hij 17 jaar oud werd en de dag dat hij 18 jaar oud werd te kunnen bepalen.


1.5.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het Uwv het besluit van 18 februari 2010 gehandhaafd.


1.6.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de dossiergegevens bestudeerd en appellant gezien tijdens de hoorzitting. Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 17 maart 2014 vermeld dat uit de dienstkeuringsrapporten blijkt dat appellant bij de eerste keuring in 1978 nog niet afgekeurd is. Pas in 1979 werd gesteld dat hij niet geschikt was voor de militaire dienst. Ook de gegevens van de huisarts en de in bezwaar ingebrachte verklaring van de moeder van appellant zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet specifiek genoeg om daaruit beperkingen af te leiden. Bovendien was de huisarts die de verklaring van 3 oktober 2013 heeft opgesteld destijds niet de huisarts van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in het rapport te kennen geen medische argumenten te zien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.


1.7.

Bij besluit van 18 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 november 2013 op grond van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv bevoegd was om het bezwaar van appellant met toepassing van artikel 4:6 van de Awb ongegrond te verklaren omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn om het besluit van 18 december 2010 te herzien.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Met de stukken die hij bij zijn aanvraag en in bezwaar heeft overgelegd is volgens appellant aangetoond dat hij van jongs af aan heeft gekampt met psychische klachten en met drugsverslaving. Dit zijn feiten en omstandigheden die voorheen niet bekend waren of bekend konden zijn. Appellant stelt dat hij reeds gedurende zijn 17e en 18e jaar medische beperkingen had die leidden tot arbeidsongeschiktheid. Uit de verklaringen van zijn moeder en van de huisarts kan volgens hem worden afgeleid dat hij een problematische jeugd had, die zich vertaalde in somberheid op zijn 15e jaar en depressieve gedachten vanaf zijn 18e jaar.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld.


4.2.

Het Uwv heeft het insturen van nadere informatie door appellant bij brief van

13 september 2013 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 18 februari 2010. Het betreft hier een verzoek om terug te komen van de weigering hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Dit verzoek kan betreffen het verleden maar ook een herziening voor de toekomst. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ook al op de dag dat hij 17 jaar werd en de 52 weken nadien arbeidsongeschikt was. Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 18 februari 2010 heeft appellant de in 1.3 vermelde stukken en een verklaring van zijn moeder ingebracht.


4.3.

De rechtbank kan niet worden gevolgd in haar oordeel dat wat appellant naar voren heeft gebracht bij zijn verzoek en in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden moeten immers worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Aangezien de keuringsrapporten en hetgeen daarin is vermeld eerst na de 18e verjaardag van appellante en naar aanleiding van de beoordeling van aanvraag in 2009 ter beschikking zijn gekomen, moeten deze worden gezien als nieuwe feiten in de zin van artikel 4:6.


4.4.

Gelet op het overgangsrecht bij de invoering van de Wajong dient, omdat appellant is geboren in 1960, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW; uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111).


4.5.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling tot 1 januari 1987 luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij, die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


4.6.

De inhoud van de door appellant ingebrachte rapporten en verklaringen bieden geen grond voor de conclusie dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om niet terug te komen van het besluit van 18 februari 2010. Het bestreden besluit berust op een inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2014. In dit rapport is immers duidelijk en gemotiveerd uiteengezet dat niet voldoende is dat aannemelijk is dat appellant psychische klachten had toen hij 17 en 18 jaar oud was. Tevens zijn er gegevens nodig op basis waarvan vastgesteld kan worden dat hij beperkingen had voor het verrichten van arbeid. Aan de hand van de in 1.3 vermelde stukken en de in bezwaar ingebrachte verklaring van zijn moeder kan niet worden vastgesteld welke de beperkingen en mogelijkheden voor arbeid voor appellant waren op de dag dat hij 17 jaar werd en na de afloop van de periode van 52 weken nadien. De door appellant ingebrachte gegevens zijn daartoe onvoldoende. Dit geldt in het bijzonder ook voor de in 1.3 vermelde verklaring van zijn huidige huisarts. Mede op grond van het verhandelde ter zitting is immers onduidelijk gebleven op welke gegevens de in die verklaring gestelde bekendheid met de gezondheidstoestand van appellant in 1977 en 1978 berust.


4.7.

Het Uwv heeft de aanvraag van appellant niet beoordeeld in zoverre deze betrekking had op de toekomst. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.


4.8.

Het Uwv heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat de door appellant overgelegde informatie geen feiten of omstandigheden bevat op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat het besluit van 18 februari 2010 onjuist is geweest. Dit standpunt is juist, gezien hetgeen is overwogen in 4.6. Dit leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellant ook met betrekking tot het aspect dat aanvankelijk niet door het Uwv is beoordeeld, had moeten worden afgewezen door het Uwv.


4.9.

Omdat appellant hierdoor niet zal worden benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit ondanks de schending van artikel 7:12 van die wet in stand worden gelaten.


4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van gronden.


5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten worden begroot op € 980,- in verband met verleende rechtsbijstand in beroep, op € 980,- in verband met verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen

€ 1.960,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.



(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) L.H.J. van Haarlem




AP