Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-1238 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:466

Inhoudsindicatie
Ontzegging toegang. Schorsing en korting bezoldiging. Strafontslag. Het verwijtbaar onjuist invullen van aangiftebiljetten inkomstenheffing van een belastingplichtige die behoort tot de (beperkte) kring van familie, vrienden en kennissen, zonder dat appellant dat heeft gemeld aan het bevoegd gezag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-1238 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1238 AW, 13/1248 AW

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (lees: Midden-Nederland) van 24 januari 2013, 12/737, 12/1420 en 12/1421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Grijpstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Grijpstra. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was in de functie van [naam functie C] werkzaam bij de [naam werkgever] te [plaatsnaam].


1.2.

Naar aanleiding van onjuist ingevulde aangiftebiljetten Inkomstenbelasting 2007 tot en met 2009 van appellants vriend [naam vriend], die hebben geleid tot onjuiste belastingaanslagen, heeft in de periode vanaf 9 juni 2011 onderzoek plaatsgevonden naar appellants betrokkenheid hierbij. Dit onderzoek is afgerond met het voorstel van de directeur [naam regio] aan de staatssecretaris van 20 december 2011 om appellant te bestraffen met onvoorwaardelijk ontslag.


1.3.

Bij besluit van 20 december 2011 is aan appellant, vooruitlopend op de behandeling van het voorstel tot strafontslag, tot nader order de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd op grond van artikel 77 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).


1.4.

Bij brief van 19 januari 2012 heeft de staatssecretaris het voornemen kenbaar gemaakt appellant te bestraffen met onvoorwaardelijk ontslag. Appellant wordt ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim door het invullen van aangiftebiljetten inkomstenheffing van een belastingplichtige die behoort tot de (beperkte) kring van familie, vrienden en kennissen, zonder dat hij dat heeft gemeld aan het bevoegd gezag. Voorts wordt hij ervan verdacht deze aangiftebiljetten verwijtbaar onjuist te hebben ingevuld en daarmee de schijn heeft opgewekt dat dit gericht was op het behalen van (belasting)voordeel. Bij besluit van 19 januari 2012 is appellant geschorst op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR en is op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR bepaald dat gedurende deze schorsing één derde gedeelte van zijn bezoldiging wordt ingehouden. De staatssecretaris heeft het voornemen tot strafontslag gelijktijdig met het schorsingsbesluit en het besluit tot inhouding van een derde gedeelte van zijn bezoldiging aan appellant kenbaar gemaakt en hij heeft hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Appellant heeft daarvan gebruik gemaakt.


1.5.

Bij besluit van 25 mei 2012 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de bezwaren tegen de besluiten van 20 december 2011 en 19 januari 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover van belang, het beroep tegen het besluit van

25 mei 2012 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris tot ontzegging van de toegang bevoegd was, gelet op de ter zitting gegeven toelichting dat deze ontzegging werd ingegeven door de aanname dat, nadat de uitkomst van het onderzoek en het voorstel aan het ministerie om appellant disciplinair te straffen bekend was, de rust op de werkvloer door appellant of vanwege appellants aanwezigheid zou kunnen worden verstoord. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris, vooruitlopend op de te nemen disciplinaire maatregelen, eveneens bevoegd was tot schorsing in het belang van de dienst en gedurende deze schorsing bevoegd was tot inhouding van een derde van appellants bezoldiging.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Ontzegging toegang


4.1.

Appellant heeft betoogd dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen, omdat er te weinig feitelijke grondslag aanwezig was voor (zeer ernstig) plichtsverzuim. Dit besluit is bovendien onvoldoende gemotiveerd door slechts te stellen dat de aanwezigheid van appellant een verstorend effect zou hebben op de werkvloer.


4.1.1.

Dit betoog wordt niet gevolgd. Op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR kan aan de ambtenaar door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Ter zitting heeft de staatssecretaris verklaard dat de ordemaatregel van ontzegging van de toegang is opgelegd om - gelet op de ernst van de tegen appellant gerezen verdenking vanwege het inmiddels gedane voorstel tot strafontslag - onrust op de werkvloer te voorkomen. Hierin heeft de staatssecretaris in redelijkheid voldoende grond kunnen zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de ernst van de situatie er ten tijde van de ontzegging van de toegang niet meer was, omdat appellant al in september 2011 ernstig plichtsverzuim was verweten en hij tot 20 december 2011 door heeft mogen werken. Eerst op 20 december 2011 bestond immers naar aanleiding van de uitkomst van het onderzoek een concrete verdenking van ernstig plichtverzuim. De nadelige gevolgen van de ontzegging van de toegang voor appellant zijn niet onevenredig in verhouding met het doel van de staatssecretaris. Daarbij betrekt de Raad dat de ordemaatregel van tijdelijke aard was en zijn werking met het besluit tot schorsing heeft verloren.


Schorsing en korting bezoldiging


4.2.

Appellant heeft voorts betoogd dat er te weinig feitelijke grondslag voorhanden was voor (zeer ernstig) plichtsverzuim en dat een strafontslag niet op zijn plaats is, zodat geen grondslag bestaat voor de schorsing en de gedeeltelijke inhouding van zijn bezoldiging.

4.2.1

Ook dit betoog wordt niet gevolgd. Op grond van artikel 91, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 2 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1010 en 22 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1504) moet de vraag worden beantwoord of de staatssecretaris over een toereikende grondslag beschikte voor dat voornemen. Daarbij is niet beslissend of van de beschikbare gronden een zodanige overtuigingskracht uitgaat dat daarop een strafontslag kan worden gebaseerd, maar of daaraan, bezien vanuit het standpunt van de staatssecretaris, voldoende gewicht kan worden toegekend om te komen tot het voornemen daartoe. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de staatssecretaris aan de beschikbare gegevens vanuit zijn eigen standpunt bezien voldoende gewicht heeft kunnen toekennen om te komen tot het voornemen appellant te bestraffen met een onvoorwaardelijk ontslag. De gedragingen waarvan appellant na disciplinair onderzoek werd verdacht betroffen zeer ernstig plichtsverzuim, met aanzienlijke financiële gevolgen voor de Staat.


4.2.2.

Op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR, kan gedurende de schorsing de bezoldiging voor een derde deel worden ingehouden. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft de staatssecretaris in redelijkheid kunnen besluiten tot inhouding van een derde deel van de bezoldiging van appellant. Ook hierbij is de ernst van het plichtsverzuim waarvan appellant werd verdacht, van betekenis.


4.3.

Het hoger beroep kan gelet op het voorgaande niet slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.


5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD