Centrale Raad van Beroep, 07-12-2015 / 14/4730 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4660

Inhoudsindicatie
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medisch onderbouwde gronden aangevoerd die doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van het Uwv. Terecht oordeel rechtbank dat appellant in staat is de in bezwaar geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-07
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
14/4730 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4730 WIA

Datum uitspraak: 7 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 juni 2014, 14/765 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2015. Voor appellant is

mr. Wolter verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als verkoper buitendienst voor 40 uur per week. Op 17 januari 2011 is hij voor dit werk uitgevallen wegens arm, hand- en beenklachten. Later zijn daar psychische klachten bijgekomen.


1.2.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

14 januari 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Bij besluit van 24 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juni 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft aangevoerd dat hij door de ernst en combinatie van fysieke en psychische klachten op de datum in geding niet in staat was arbeid te verrichten. Hij heeft betoogd nauwelijks gevoel in zijn handen te hebben, waardoor hij alleen lichte voorwerpen kan dragen en tillen. Door het verminderde gevoel in zijn handen kan hij eveneens niet goed schrijven en typen. Appellant heeft verder aangevoerd beperkt mobiel te zijn door klachten aan zijn rug, benen en rechter enkel en voet. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij niet in staat is om de geduide voorbeeldfuncties te vervullen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellant ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen reden bestaat meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft dossieronderzoek verricht en appellant op het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht. In het rapport van 28 mei 2013 heeft deze arts geconcludeerd dat appellant als gevolg van de klachten van zijn armen en handen beperkt is voor het hanteren van zware lasten. Wegens gevoelsstoornissen in beide handen is appellant eveneens beperkt voor het werken met gevaarlijke machines of scherpe voorwerpen in een donkere omgeving. Wegens een verminderde functie van de rechter enkel is appellant licht beperkt voor lopen tijdens het werk, traplopen en klimmen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek verricht, de hoorzitting bijgewoond en de in bezwaar ontvangen medische informatie bestudeerd. In het rapport van 26 november 2013 heeft deze arts de door de verzekeringsarts opgestelde FML op een paar punten aangepast. Uit de informatie van de behandelende sector blijkt dat appellant in 2010 een operatie heeft ondergaan in verband met een carpaal tunnelsyndroom aan zijn linkerhand. Omdat deze operatie niet tot volledig herstel heeft geleid, is appellant beperkt voor overmatig gebruik van zijn linker hand. De FML is op dit punt aangepast. Uit de informatie van de behandelend sector blijkt verder dat bij appellant in 2010 een hernia is vastgesteld, waardoor werkzaamheden met een bijzondere rugbelasting vermeden dienen te worden. De FML is op dit punt eveneens aangepast. Voorts blijkt uit informatie van de behandelend psychiaters dat appellant een aanpassingsstoornis heeft. Op grond hiervan zijn door de verzekeringsarts bezwaar nadere beperkingen aangenomen voor het hanteren van conflicten en het uiten van emoties. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van appellant neergelegd in een FML van 26 november 2013.


4.2.

Tegenover dit verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert heeft appellant ook in hoger beroep geen medisch onderbouwde gronden aangevoerd die doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van het Uwv. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten de inzichtelijk gemotiveerde en deugdelijk onderbouwde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde en in de FML van

26 november 2013 weergegeven belastbaarheid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant in staat is de in bezwaar geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 december 2013 overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in deze functies niet wordt overschreden.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2015.




(getekend) P.H. Banda




(getekend) N. van Rooijen



NK