Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 13/6306 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:4664

Inhoudsindicatie
Weigering terug te komen van beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv was bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de eerdere besluitvorming. In hetgeen door appellant is gesteld is geen grond gelegen om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-24
Zaaknummer
13/6306 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6306 ZW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 oktober 2013, 13/841 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2015. Namens appellant is verschenen mr. M.A.E. Bol, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als boekhouder / administratief medewerker gedurende 40 uur per week. Hij heeft zich met ingang van 23 september 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met beenklachten en psychische klachten. Op 10 februari 2003 heeft appellant het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van

10 februari 2003 geschikt is voor zijn laatst verrichte werk. Bij besluit van 10 februari 2003 heeft het Uwv dienovereenkomstig met ingang van 10 februari 2003 het recht op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 2 mei 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 juli 2004 (03/2492 ZW) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 2 mei 2003 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.


1.2.

Bij brief van 26 april 2006 heeft appellant het Uwv verzocht om herziening van het besluit van 10 februari 2003. Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 mei 2007 ongegrond verklaard. Het namens appellant ingestelde beroep tegen dit besluit is door appellant ingetrokken.


1.3.

Bij brief van 5 september 2012 heeft appellant het Uwv wederom verzocht om herziening van het besluit van 10 februari 2003.


1.4.

Op dit verzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2012 afwijzend beslist op de aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat appellant bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, zodat het besluit van 10 februari 2003 onverkort gehandhaafd blijft. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor de motivering van het bestreden besluit is verwezen naar een rapport van 10 januari 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat wel degelijk nieuwe informatie over zijn klachten bekend is geworden na het besluit van 10 februari 2003 en dat hij daarvoor voldoende bewijs heeft geleverd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar informatie van de huisarts van 12 februari 2003, die volgens appellant niet is meegenomen door de verzekeringsarts die zijn gezondheidstoestand destijds heeft beoordeeld. Voorts heeft appellant verwezen naar de in beroep overgelegde informatie van de huisarts, van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam uit 2013, alsmede naar een behandelplan opgesteld door zijn psychiater in 2012. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd dat hij zich in beroep niet heeft kunnen laten bijstaan door een advocaat, dat hij ter zitting van de rechtbank te weinig tijd kreeg om zijn standpunt uiteen te zetten waardoor de diagnose agorafobie als nieuw feit niet aan de orde is geweest, dat de rechtbank in die uitspraak ten onrechte voorbij is gegaan aan dit nieuwe feit en dat in de aangevallen uitspraak onjuistheden staan. Ten slotte heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) een beroep gedaan op de zogeheten duuraanspraak met betrekking tot zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 10 februari 2003.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.1.

Appellant heeft verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting van de Raad. Tegen de afwijzing van dat verzoek heeft appellant aangevoerd dat hij niet tijdig een uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting, waardoor hij zich niet heeft kunnen voorbereiden op de zitting en - mede als gevolg van zijn psychische klachten - niet aanwezig kon zijn. Door deze handelswijze van de Raad acht appellant zich in zijn procesbelang geschaad.


4.1.2.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog. Appellant is op de voorgeschreven wijze tijdig uitgenodigd voor de zitting van de Raad op 8 juni 2015. Gelet op hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting naar voren heeft gebracht, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant op enigerlei wijze in zijn procesbelang is geschaad.


4.2.

Het verzoek van appellant van 5 september 2012 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit van 10 februari 2003 tot beëindiging van zijn ZW-uitkering. Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak geen aanleiding is toepassing te geven aan de rechtspraak met betrekking tot duuraanspraken, zoals deze onder meer is weergegeven in de uitspraak van

14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) en herhaald in de uitspraak van vandaag in de zaak bekend onder 13/6303 ZW (ECLI:NL:CRVB:2015:4388). In dit geding is het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit gedaan op een datum waarop het tijdvak waarover ziekengeld kon worden verstrekt als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de ZW, reeds was verstreken. Een beoordeling over eventuele aanspraken voor de toekomst kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.


4.3.1.

Het besluit van 10 februari 2003 is in rechte onaantastbaar geworden, omdat appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 juli 2004. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, is op een verzoek als dat van appellant artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing.


4.3.2.

Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.


4.4.

Appellant heeft bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 10 februari 2003 vermeld dat hij psychische klachten ondervond waaraan later door de psychiater de diagnose (paniekstoornis met) agorafobie is gehecht. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat dit weliswaar een diagnose is die niet eerder was gesteld. Uitgangspunt is dat de verzekerde volgens artikel 19 van de ZW bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht heeft op ziekengeld. In vaste rechtspraak heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het daarbij gaat om de uit de ziekte voortvloeiende arbeidsbeperkingen en dat aan de diagnose een ondergeschikte betekenis toekomt. Vaststaat dat de voor het Uwv werkzame verzekeringsartsen, op de momenten dat de klachten van appellant zijn beoordeeld, telkens rekening hebben gehouden met de uit die klachten voortvloeiende beperkingen, waaronder nervositeit, hyperventilatie, hypertensie en bijholteontstekingen. Daarbij is blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 januari 2013 uitdrukkelijk rekening gehouden met de door de huisarts en KNO-arts in 2003 vermelde informatie. De na 2003 gestelde diagnose met betrekking tot de angstklachten van appellant is dan ook geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Terecht heeft de rechtsbank voorts geoordeeld dat de informatie van de huisarts uit 2013 en van de psychiater uit 2012 niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu daaruit geen nieuwe medische inzichten blijken ten aanzien van appellants beperkingen in 2003 om zijn arbeid te verrichten. Met betrekking tot de verklaring van het DWI uit 2013, waarin is vermeld dat appellant met ingang van 10 februari 2003 arbeidsongeschikt wordt geacht in het kader van zijn re-integratieverplichtingen ingevolge de bijstandswetgeving, onderschrijft de Raad het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 mei 2013 dat een medische onderbouwing voor dit standpunt ontbreekt en dat appellant de gegevens van het DWI, waaruit blijkt dat appellant sinds 10 februari 2003 is ontheven van de sollicitatieverplichting, in had kunnen brengen tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de besluiten van 10 februari 2003 en 2 mei 2003.


4.5.

Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de eerdere besluitvorming. In hetgeen door appellant is gesteld is geen grond gelegen om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.6.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal dus worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP