Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-4578 MAW


ECLI:NL:CRVB:2015:467

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om met terugwerkende kracht ... ook over de uren tussen 16:00 uur en 23:59 uur naast de bezoldiging een vergoeding in vrije uren te ontvangen omdat aan appellant gedurende deze uren geen consignatie was opgelegd en omdat hij dan al op de werkplek aanwezig diende te zijn om bedongen arbeid te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-4578 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4578 MAW

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 juli 2013, 13/1722 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant Marinekazerne Willemsoord, tevens Hoofd Afdeling Faciliteren (commandant)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.E. Louwerse hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Louwerse. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C. van den Boogaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was voor 38 uur per week aangesteld als [naam functie] bij de Marinekazerne Willemsoord in Den Helder. Hij had een rooster van vijf weken. Gedurende één week werkte hij tijdens kantooruren (in zijn geval was dat van 07:30 uur tot 16:00 uur) en gedurende vier weken werkte hij op drie dagen tijdens kantooruren, met daarnaast één keer per week een aanwezigheidsdienst van 16:00 uur tot 08:00 uur de dag daarna. Tijdens een aanwezigheidsdienst verrichtte appellant tussen 16:00 uur en 23:59 uur bedongen arbeid en van 00:00 uur tot 08:00 uur was hem consignatie opgelegd met de mogelijkheid om te slapen. Als hij tijdens deze uren diende te werken, werd dit aangemerkt als overwerk.


1.2.

Voor de uren tussen 00:00 uur tot 08:00 uur ontving appellant met toepassing van

artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid (VROB), bezien in samenhang met het tweede lid en het derde lid, aanhef en onder c, van dit artikel, een vergoeding in de vorm van drie vrije uren.


1.3.

Het verzoek van appellant om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 ook over de uren tussen 16:00 uur en 23:59 uur naast zijn bezoldiging een vergoeding in vrije uren te ontvangen is afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de commandant deze afwijzing gehandhaafd. Hieraan ligt ten grondslag dat aan appellant gedurende deze uren geen consignatie was opgelegd, omdat hij dan al op de werkplek aanwezig diende te zijn om bedongen arbeid te verrichten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om te reageren op de vraag welke regelgeving met het bestreden besluit is geschonden en dat ook niet is gebleken van een dergelijke schending.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ook de uren van 16:00 uur tot 23:59 uur buiten zijn reguliere werktijden vallen en dus voor een extra vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting van de Raad heeft hij verduidelijkt dat hij meent op grond van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de VROB aanspraak te hebben op vergoeding van de helft van de werktijd in vrije uren. In de visie van appellant gaat het om één aanwezigheidsdienst (voorafgegaan en gevolgd door de voorgeschreven elf uur rusttijd), die bestaat uit twee periodes: één waarin het niet is toegestaan om te slapen - van 16:00 uur tot 23:59 uur - en één waarin de mogelijkheid tot slapen wordt geboden - van 00:00 uur tot 08:00 uur -. Appellant heeft in dit verband onder meer verwezen naar de informatie over consignatie en aanwezigheidsdiensten op de site van het Ministerie van Defensie.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de VROB is bepaald dat de periode dat de militair consignatie wordt opgelegd gedurende een aanwezigheidsdienst in het gebouw waar de militair is tewerkgesteld, wordt herleid naar een vergoeding in vrije uren.


4.1.2.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de herleiding, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt door toepassing van een herleidingsfactor.


4.1.3.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b en c, van artikel 7 van de VROB, bedraagt de factor bedoeld in het tweede lid:

b. 1/2 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, voor zover het de militair niet is toegestaan te slapen;

c. 1/3 voor de periode van consignatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, voor zover de militair gedurende de dienst de mogelijkheid wordt geboden te slapen.


4.2.

De periode van 16:00 uur tot 08:00 uur kan, met het oog op de voorgeschreven werk- en rusttijden, worden gezien als één aanwezigheidsdienst. Zoals volgt uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de VROB, bestaat slechts aanspraak op een vergoeding in vrije uren voor de periode dat gedurende een aanwezigheidsdienst consignatie is opgelegd. Volgens de commandant is aan appellant gedurende de periode van 16:00 uur tot 23:59 uur geen consignatie opgelegd en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval was. Dit ligt ook niet in de rede, omdat appellant gedurende deze periode op zijn werkplek bedongen werkzaamheden verrichtte. Overigens volgt ook uit de onder 3 bedoelde informatie op de site van het ministerie dat consignatie buiten de werktijd wordt opgelegd.


4.3.

De uren tussen 16:00 uur en 23:59 uur zijn wel voor een deel ongebruikelijke uren in de zin van de VROB. Tussen partijen is niet in geschil dat het aantal ongebruikelijke uren onvoldoende was om op grond van artikel 5 van de VROB in aanmerking te komen voor een Toelage onregelmatige dienst.


4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat er geen grondslag is om de uren tussen 16:00 uur en 23:59 uur te herleiden naar een vergoeding in vrije uren. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.


5. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD