Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-722 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:469

Inhoudsindicatie
Hernieuwde aanvraag. Toekenning toeslag. De in de tussenuitspraak geuite twijfels over het medisch onderzoek in 2010 zijn dan ook niet weggenomen. Het verschil in resultaten tussen de onderzoeken door Van den Brand en Roelofs, afgezet tegen de korte periode tussen die onderzoeken, rechtvaardigt het vermoeden dat bij het rapport van Roelofs onvoldoende recht is gedaan aan de bij appellante aanwezige beperkingen. De Raad ziet aanleiding de hier ontstane twijfel over de juistheid van de medische beoordeling in het voordeel van appellante uit te leggen. Aangenomen moet worden dat verweerder bij de afwijzing van de aanvraag van appellante van mei 2010 verwijtbare fouten heeft gemaakt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid niet kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om aan de ingangsdatum van de toeslag terugwerkende kracht te verlenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-722 WUBO
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/722 WUBO, 14/6650 WUBO

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van op 3 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2312) heeft de Raad verweerder opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 24 december 2012 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder op 27 augustus 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellante heeft mr. L. Rijpkema, advocaat, zijn zienswijze op dit nieuwe besluit gegeven. Hierop heeft verweerder gereageerd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Namens appellante is

mr. Rijpkema verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Voor een volledige uiteenzetting van de feiten verwijst de Raad naar de tussenuitspraak van 3 juli 2014. Kort samengevat gaat het om het volgende.


1.1.

De aanvragen van appellante van september 2000 en mei 2010 waarbij zij heeft verzocht te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffers in de zin van de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffer 1940-1945 (Wubo) zijn door verweerder telkenmale afgewezen op de grond dat het aanvaarde oorlogsgeweld bij appellante niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.


1.2.

Naar aanleiding van een hernieuwde aanvraag van februari 2011 heeft verweerder bij het bestreden besluit alsnog aanvaard dat bij appellante sprake is van blijvende (psychische) invaliditeit in de zin van de Wubo. Aan appellante is ingaande 1 februari 2011 onder meer toegekend de toeslag bedoeld in artikel 19 van de Wubo (toeslag). Daarbij is aangegeven dat het niet mogelijk is om ten aanzien van de toeslag terugwerkende kracht te verlenen. Hiertoe heeft verweerder besloten omdat niet is gebleken dat de eerdere beslissingen onjuist zijn geweest.


1.3.

In de tussenuitspraak is overwogen dat, gezien de kort op elkaar volgende, maar tegenstrijdige, rapportages van de onderzoeken die door de arts R.J. Roelofs in augustus 2010 en door de arts F.A. van de Brand in november 2010 bij appellante zijn verricht in het kader van de Wubo respectievelijk de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), de Raad niet overtuigd is geraakt dat met name de afwijzing van de aanvraag van mei 2010 op goede gronden heeft plaatsgevonden. De arts G.L.G. Kho, op grond van wiens onderzoek in 2012 alsnog is aanvaard dat bij appellante sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo, heeft zijn standpunt dat de eerdere medische oordelen juist zijn geweest niet verder onderbouwd. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat Kho een invaliditeit heeft vastgesteld zonder dat uit zijn rapportage blijkt van een noemenswaardige verergering ten opzichte van de eerdere beoordeling door Roelofs. De Raad achtte onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom in het geval van appellante geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om terugwerkende kracht te verlenen. De Raad heeft verweerder opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


1.4.

Ter uitvoering van de uitspraak heeft de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts, de eerdere onderzoeken nader beoordeeld. In overeenstemming met het advies van Ohlenschlager heeft verweerder bij het nieuwe besluit van 27 augustus 2014 geen aanleiding gezien om de ingangsdatum van de aan appellante toegekende toeslag op een eerdere datum dan 1 februari 2011 vast te stellen. Daarbij is het standpunt gehandhaafd dat de door de arts Kho in 2012 vastgestelde invaliditeit is ontstaan door een verergering van de bij appellante aanwezige klachten. Verweerder heeft daarom het bezwaar tegen het besluit 8 februari 2012 opnieuw ongegrond verklaard.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Nu met het nieuwe besluit van 27 augustus 2014 niet geheel aan appellante is tegemoetgekomen, strekt het geding in beroep zich, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mede uit tot dit nieuwe besluit.


2.2.

In het licht van de bevindingen van Kho heeft Ohlenschlager de eerdere rapporten beoordeeld. Haar interpretatie van de verschillende rapportages leidt tot de conclusie dat Kho een duidelijk verschil ziet tussen 2010 en 2012 wat betreft de stresstolerantie. Dit verschil vindt volgens Kho zijn oorzaak in een verergering van de reeds aanwezige klachten. In het advies van Kho ziet de Raad echter een duidelijke verwijzing naar het onderzoek van

Van den Brand, waarbij Kho de door Van den Brand genoemde beperkingen ook lijkt te onderschrijven, zij het dat een door Van den Brand gestelde beperking in het dagelijks functioneren door Kho wordt geplaatst in de rubriek stressadaptatie. Een wezenlijk verschil in de beoordelingen in 2010 en 2012 ziet de Raad dan ook niet naar voren komen. Hierin heeft het advies van Ohlenschlager geen verandering kunnen brengen. De in de tussenuitspraak geuite twijfels over het medisch onderzoek in 2010 zijn dan ook niet weggenomen. Het verschil in resultaten tussen de onderzoeken door Van den Brand en Roelofs, afgezet tegen de korte periode tussen die onderzoeken, rechtvaardigt het vermoeden dat bij het rapport van Roelofs onvoldoende recht is gedaan aan de bij appellante aanwezige beperkingen. De Raad ziet aanleiding de hier ontstane twijfel over de juistheid van de medische beoordeling in het voordeel van appellante uit te leggen. Aangenomen moet worden dat verweerder bij de afwijzing van de aanvraag van appellante van mei 2010 verwijtbare fouten heeft gemaakt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid niet kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om aan de ingangsdatum van de toeslag terugwerkende kracht te verlenen.


2.3

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit geen stand kan houden en dient te worden vernietigd. Uit overweging 2.2 volgt dat het besluit van 27 augustus 2014 evenmin stand kan houden. De Raad zal zelf voorzien en de ingangsdatum van de toeslag alsnog bepalen op 1 mei 2010, zijnde de eerste dag van de maand waarin appellante in 2010 haar aanvraag heeft ingediend.


3. Aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 2.205,- voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- stelt de ingangsdatum van de toeslag bedoeld in artikel 19 van de Wubo vast op 1 mei 2010

en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit

van 24 december 2012;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar in beroep betaalde griffierecht van

€ 35,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.205,-.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen



HD