Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 15/380 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4708

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Verzwegen bankrekeningen en stortingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
15/380 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 december 2014, 14/3479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.R. Changoer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Voor appellante is

mr. Changoer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M.S. van Sprundel-Steenwinkel.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving sinds 31 oktober 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder, met een toeslag van 20%, onder aftrek van inkomsten uit parttime arbeid.


1.2.

In het kader van een periodieke hercontrole heeft het college appellante bij brieven van 24 september 2013 en 21 oktober 2013 (opschortingsbesluit) verzocht, voor zover hier van belang, salarisspecificaties over de maanden maart en april 2013 over te leggen en een deugdelijke verklaring te geven over de storting op 9 mei 2013 van € 2.000,-, afkomstig van [X.], op haar bankrekening met [bankrekeningnummer] (bankrekening). Appellante heeft naar aanleiding hiervan verklaard dat het bedrag van € 2.000,- toebehoorde aan [Y.], een vriend van haar zoon, die zonder toestemming van zijn ouders een scooter wilde aanschaffen en dat [Y.] het geld van zijn spaarrekening heeft overgemaakt naar de bankrekening van appellante, en niet naar de bankrekening van de zoon van appellante, omdat deze toen niet over een pinpas beschikte. De zoon van appellante heeft in een schriftelijke verklaring van

15 oktober 2013 toegelicht dat hij op 9 mei 2013 een bedrag van € 1.250,- heeft gepind van de bankrekening van zijn moeder, dat hij dat bedrag contant aan [Y.] heeft overhandigd en dat hij het resterende bedrag van € 750,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van de vriendin van [Y.].


1.3.

Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 maart 2013 ingetrokken.


1.4.

Bij besluit van 15 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2013 gegrond verklaard, maar de intrekking van de bijstand van appellante gehandhaafd onder wijziging van de grondslag in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd, voor zover van belang, dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door vanaf 1 maart 2013 geen salarisspecificaties over te leggen en geen deugdelijke en aannemelijke verklaring te geven voor de storting van € 2.000,- op haar bankrekening als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of zij recht op bijstand heeft.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante voert aan dat met haar verklaring en de verklaring van haar zoon de herkomst van het bedrag van € 2.000,- voldoende is verduidelijkt, zodat appellante aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. Verder voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het gegeven dat rapporteur [Z.] van de gemeente in de rapportage van 15 oktober 2013 heeft opgetekend dat zij vermoedt dat appellante haar bankrekening heeft laten misbruiken en dat zij niet daadwerkelijk heeft kunnen beschikken over de bedragen die zijn bijgeschreven. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zij alle salarisspecificaties die zij in bezit had, heeft overgelegd en dat het college over de salarisgegevens van appellante kan beschikken door het raadplegen van de eigen informatiesystemen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij besluit van 18 december 2013 is aan appellante met ingang van 1 juni 2013 opnieuw bijstand toegekend. De te beoordelen periode loopt in dit geval dan ook van 1 maart 2013 tot en met 31 mei 2013.


4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.


4.3.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.4.

Niet in geschil is dat de bankrekening op naam van appellante stond en dat appellante geen melding heeft gemaakt van het feit dat op 9 mei 2013 een bedrag van € 2.000,- naar die bankrekening was overgemaakt. Aangezien het hier gaat om een feit waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op de voortzetting van bijstand, heeft appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Daarnaast heeft appellante verzuimd de door het college gevraagde salarisspecificaties over de periode vanaf 1 maart 2013 over te leggen. De stelling van appellante dat het college over haar salarisgegevens kan beschikken door het raadplegen van de eigen informatiesystemen doet aan die schending niet af. De ministeriële regeling, genoemd in de laatste volzin van artikel 17, eerste lid, van de WWB, waarin administraties, zoals Suwinet kunnen worden aangewezen, is tot op heden niet vastgesteld, zodat de op appellante rustende inlichtingenverplichting onverkort van toepassing blijft.


4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.6.

Appellante is daarin niet geslaagd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verklaringen van appellante en haar zoon onvoldoende zijn om aannemelijk te maken dat appellante niet over het tegoed van € 2000,- op haar bankrekening kon beschikken. Dat is het geval omdat objectieve en verifieerbare gegevens ontbreken waaruit blijkt dat het tegoed aan [Y.] toebehoorde. Daar komt bij dat de zoon van appellante op 15 oktober 2013 heeft verklaard dat de achternaam van [Y.], [M.] is. Dat strookt niet met het feit dat de storting van € 2.000,- blijkens het bankrekeningafschrift afkomstig was van [X.]. Appellante heeft hierover ook in hoger beroep geen opheldering gegeven. Het enkele gegeven dat rapporteur [Z.] in de rapportage van 15 oktober 2013 haar mening heeft opgetekend, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel, reeds omdat die mening afwijkt van het oordeel van het college in het bestreden besluit. Wat betreft de door het college gevraagde salarisspecificaties heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij als direct belanghebbende daarover niet kon beschikken. Aldus heeft appellante onvoldoende inzicht gegeven in haar inkomenssituatie in de te beoordelen periode, zodat de bijstandbehoevendheid in die periode niet is vast te stellen.


4.7.

Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van appellante vanaf 1 maart 2013 in te trekken.


4.8.

Uit 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) B. Fotchind



HD