Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 15/2471 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4721

Inhoudsindicatie
Afwijzing herhaald verzoek schadevergoeding. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Geen dwangsom.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
15/2471 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/2471 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

5 maart 2015, 14/5051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Appellante is verschenen, vergezeld door [naam A.] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.H. Wolbers en mr. S.M. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Na appellante aanvankelijk met ingang van 1 januari 2005 bijstand te hebben verleend, heeft het college bij besluit van 12 juli 2005 de bijstand van appellante met ingang van

1 januari 2005 ingetrokken en bij besluit van dezelfde datum de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 7.570,81 van appellante teruggevorderd. Het college heeft appellante met ingang van 12 april 2006 weer bijstand verleend.


1.2.

Na een bezwaar- en beroepsprocedure heeft de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 19 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4505, voor zover van belang, de besluiten van 12 juli 2005 herroepen.


1.3.

Het college heeft in 2007 de bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met

12 april 2006 aan appellante nabetaald, inclusief het door haar terugbetaalde bedrag van

€ 7.570,81 en de wettelijke rente over het nabetaalde bedrag vergoed tot een bedrag van

€ 1.455,45. Voorts heeft het college erkend dat appellante als gevolg van het onrechtmatige besluit tot terugvordering van bijstand haar toenmalige woning heeft moeten verkopen en dat zij daardoor schade heeft geleden. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft het college aan appellante een schadevergoeding toegekend van € 13.413,99 voor de gemaakte kosten in verband met de verkoop van haar woning en voor bijkomende kosten. Bij beslissing op bezwaar van 6 mei 2010 heeft het college dit bedrag verhoogd met € 3.626,11.


1.4.

Bij uitspraak van 7 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9627, voor zover van belang, heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 6 mei 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van fiscale schade is afgewezen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het college aan appellante de door haar geleden fiscale schade vergoedt tot een bedrag van € 4.305,-.


1.5.

Bij brieven van 17 september 2013 en 13 oktober 2013 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij de bij het besluit van 5 juli 2007 toegezegde schadevergoedingsbedragen niet heeft ontvangen. Tevens heeft zij het college verzocht een nieuw besluit te nemen in verband met door haar geleden schade, waaronder vermogensverlies ten gevolge van de gedwongen verkoop van haar woning, geleden immateriële schade en gederfd inkomen.

1.6.

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft het college de brief van appellante van 17 september 2013 aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 5 juli 2007 en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.


1.7.

Het college heeft de onder 1.5 genoemde brieven tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Bij besluit van 23 december 2013 heeft het college dit verzoek om schadevergoeding met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Bij brief van 23 januari 2014 heeft appellante hiertegen bij de rechtbank bezwaar gemaakt.


1.8.

Bij uitspraak van 14 juli 2014, 14/320 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2014 ongegrond verklaard en zich onbevoegd verklaard voor wat betreft het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2013. Bij uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2004, heeft de Raad het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2014 ongegrond verklaard.


1.9.

Bij besluit van 1 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat het door haar overgelegde rapport van de medisch adviseur J.P. Hol (H) van 7 juli 2014 een nieuw feit is en dat hieruit voortvloeit dat zij door toedoen van het college schade heeft geleden. Volgens appellante heeft zij recht op een schadevergoeding van € 351.601.245,32 voor de door haar geleden schade wegens gederfd inkomen, de gedwongen verkoop van haar woning en de door haarzelf en haar twee dochters geleden immateriële schade. Daarnaast heeft zij de Raad verzocht het college een dwangsom op te leggen van € 10.000,- per dag zolang het college nalatig blijft de gevraagde schadevergoeding te voldoen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Schadevergoeding


4.1.

De aanvraag van appellante van 17 september 2013 is een herhaling van de aanvraag waarop het college bij besluit van 6 mei 2010 heeft beslist en waarover de Raad bij de onder 1.4 vermelde uitspraak van 7 mei 2013 heeft geoordeeld. Als gevolg hiervan is aan appellante voor de door haar gelede materiële en immateriële schade een schadevergoeding toegekend tot een totaalbedrag van € 21.345,10.


4.2.

Op zo’n herhaalde aanvraag is artikel 4:6 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan de aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de herhaalde aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan de aanvraag op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.


4.3.

Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft appellante aangevoerd dat het rapport van H niet eerder is beoordeeld. Dit rapport is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De medische rapportage van H is op 7 juli 2014 opgesteld op verzoek van het college ter beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellante in het kader van de WWB. De door H in zijn rapportage geschetste situatie is echter dezelfde als destijds in 2007 door de behandelend psychiater van appellante,

H.J. Stradmeijer (S), is vastgesteld. Het oordeel van S is bij de beoordeling van de aan appellante toegekende schadevergoeding betrokken en door de Raad in zijn onder 1.4 genoemde uitspraak beoordeeld. Ter zitting van de Raad heeft appellante dit erkend.


4.4.

Het college mocht de aanvraag van appellante van 17 september 2013 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 6 mei 2010 en de onder 1.4 vermelde uitspraak van de Raad. In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het college in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.


Dwangsom


4.5.

Artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.


4.6.

Appellante heeft eerst in hoger beroep verzocht om het college een dwangsom op te leggen. Niet gebleken is dat appellante het college tijdig in gebreke heeft gesteld. Door appellante is ter zitting van de Raad erkend dat zij niet heeft voldaan aan de onder 4.5 vermelde voorwaarden maar dat haar verzoek er louter op is gericht het college te dwingen de door haar gevraagde schadevergoeding te voldoen. Hiertoe biedt de Awb geen mogelijkheid. De Raad wijst het verzoek van appellante dan ook af.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangsom af.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter, in tegenwoordigheid van

C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




De griffier is buiten staat te ondertekenen




IJ