Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 13/6536 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:4726

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Duurzaam gescheiden leven:
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
13/6536 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6536 AOW


Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer









Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

5 november 2013, 11/3163 (aangevallen uitspraak),









Partijen:


[Appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)





Datum uitspraak: 22 december 2015




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft G.B. Hollard hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante ontving sinds april 2005 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm van een ongehuwde.


1.2.

In oktober 2010 heeft de Svb naar aanleiding van een melding van de gemeente een onderzoek gestart naar de leefsituatie van appellante. Uit dat onderzoek is gebleken dat appellante op 21 januari 2000 een geregistreerd partnerschap is aangegaan met [betrokkene] (betrokkene). Op 3 juli 2008 is betrokkene overleden.


1.3.

Bij besluit van 14 februari 2011 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellante met ingang van april 2005 herzien naar de norm van een gehuwde.


1.4.

Bij besluit van dezelfde datum is het over de periode van april 2005 tot en met juni 2008 het te veel betaalde ouderdomspensioen ten bedrage van € 10.570,21 van appellante teruggevorderd.


1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 26 juli 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb de besluiten van 14 februari 2011 na bezwaar gehandhaafd.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake was van duurzaam gescheiden leven. Daarbij heeft appellante vermeld dat sprake was van een LAT-relatie met betrokkene en dat zij hem vanwege ziekte in haar woning heeft opgenomen en heeft verzorgd. Ieder van hen had een eigen woning en droeg de eigen lasten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat vanaf april 2005 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven tussen appellante en betrokkene en dat de Svb terecht met ingang van die datum het AOW-pensioen van appellante heeft herzien. Verder is in geschil of de terugvordering van het te veel betaalde ouderdomspensioen over de periode van april 2005 tot en met juni 2008 in rechte stand houdt.






Duurzaam gescheiden leven


4.2.

In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW is bepaald dat de als partner geregistreerde wordt gelijkgesteld met een gehuwde. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hun gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Gezien het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW geldt dit evenzeer voor het aangaan van een geregistreerd partnerschap.


4.4.

Voor de beoordeling of in dit geval sprake was van een uitzonderingssituatie als onder 4.3 omschreven, is het volgende van belang. Appellante en betrokkene hadden ieder een eigen woning en waren vanaf 1988 bevriend. In 2000 zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan vanwege de gevoelens die zij voor elkaar hadden en omdat zij elkaar wilden beschermen. Appellante en betrokkene zagen elkaar alleen in de weekenden en ondernamen gezamenlijke activiteiten. Zij aten gezamenlijk en legden vaak samen bezoeken af bij hun ouders of vrienden. De laatste periode heeft appellante betrokkene in haar woning opgenomen en verzorgd, waarvoor zij geen geldelijke steun heeft ontvangen. Er kan niet worden gesteld dat uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat appellante en betrokkene ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden als waren zij niet met de ander gehuwd. De overige omstandigheden zoals het ontbreken van een financiële verstrengeling, het gegeven dat appellante nooit mantelzorggeld heeft ontvangen voor de zorg voor betrokkene en het beschikken over een eigen woning kunnen daar niet aan afdoen. Dit leidt tot het oordeel dat appellante vanaf april 2005 niet als duurzaam gescheiden levend kan worden aangemerkt.


Herziening


4.5.

Voorop wordt gesteld dat uit artikel 17a, eerste lid, van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 17a, eerste lid, van de AOW is volgens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.


4.6.

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.7.

Verder blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.


4.8.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van

5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.


4.9.

Allereerst moet worden vastgesteld dat appellante bij de aanvraag om toekenning van een AOW de Svb niet heeft medegedeeld dat zij sinds januari 2000 een geregistreerd partnerschap had met betrokkene. Daardoor heeft appellante niet voldaan aan de informatieplicht als bedoeld van artikel 49 van de AOW. Het had appellante uit bij de aanvraag van het ouderdomspensioen verstrekte informatie en het informatieblad ‘uw AOW/ANW’ redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat het geregistreerd partnerschap van belang is voor de aanspraak op en de hoogte van het ouderdomspensioen en dat deze omstandigheid daarom bij de aanvraag gemeld moest worden. Dit betekent dat appellante de informatieplicht heeft geschonden, zodat er voor de Svb geen aanleiding bestond om op grond van het beleid geheel van herziening af te zien.


4.10.

Verder is niet gebleken dat de Svb het hiervoor onder 4.8 omschreven - op artikel 3:4 van de Awb gebaseerde - onderdeel van het beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. De Svb is niet eerder dan in oktober 2010 door een bericht van de gemeente op de hoogte geraakt van het geregistreerde partnerschap van appellante met betrokkene. Dit houdt in dat niet gezegd kan worden dat de Svb in enige mate een verwijt kan worden gemaakt en dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Dit betekent dat de Svb op grond van het hiervoor weergegeven beleid terecht heeft besloten niet af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht.


Terugvordering


4.11.

Ten aanzien van de terugvordering moet voorop worden gesteld dat de Svb op grond van artikel 24 van de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaald pensioen. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vijfde lid van artikel 24 van de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hiervoor bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat appellante ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien.


4.12.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.11 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, in tegenwoordigheid van

I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) I. Mehagnoul




AP