Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 15/120 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4729

Inhoudsindicatie
Weigering ontheffing arbeidsverplichtingen. Het advies van Margolin van 8 oktober 2013, waarop de besluitvorming is gebaseerd, voldoet aan de hiervoor geformuleerde eisen van zorgvuldigheid. Van betekenis in dit verband is dat dit advies is gebaseerd op basis van eigen onderzoek en de arts de klachten van appellant in kaart heeft gebracht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
15/120 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/120 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 november 2014, 14/1307 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.M. Bongaarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 november 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 5 augustus 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden, waarbij aan appellant de arbeidsverplichtingen zijn opgelegd. Appellant heeft in het kader van zijn aanvraag om bijstand verklaard medische klachten te hebben waardoor hij niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.


1.2.

Op verzoek van het college heeft Margolin een medisch en arbeidskundig advies uitgebracht met betrekking tot de arbeidsmogelijkheden van appellant, welke op 8 oktober 2013 door het college is ontvangen. Uit dit advies blijkt dat appellant op 13 september 2013 door de arts is gezien tijdens een spreekuurafspraak, waarbij de arts gericht lichamelijk onderzoek heeft verricht en tevens eigen onderzoek heeft gedaan naar de mentale belastbaarheid van appellant. De arts heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van langdurige en een veelvoud aan sociale problemen die hebben geleid tot psychische klachten. Hij heeft hiervoor psychiatrische begeleiding gehad van een psychiater van Virenze, welke begeleiding begin 2013 is gestaakt. De arts heeft vastgesteld dat appellant, medisch gezien, in staat is tot het verrichten van aangepaste werkzaamheden, dan wel het volgen van een traject indien rekening wordt gehouden met zijn beperkingen. Deze beperkingen zijn door de arts geobjectiveerd en vertaald naar beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft appellant tijdens een spreekuurafspraak op 26 september 2013 gezien en geconcludeerd dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige productiepieken of deadlines, en zonder veelvuldige contacten.


1.3.

Bij besluit van 14 november 2013 heeft het college, op grond van het in 1.2 vermelde advies van Margolin, aan appellant meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem van toepassing zijn en dat daarbij rekening zal worden gehouden met zijn beperkingen.


1.4.

Bij besluit van 21 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat het onderzoek van Margolin niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn chronische psychische klachten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid.


4.2.

De mededeling aan appellant, dat voor hem de arbeidsverplichtingen van artikel 9,

eerste lid, van de WWB gelden, moet in dit geval worden gekwalificeerd als een impliciete weigering om ten aanzien van appellant toepassing te geven aan artikel 9, tweede lid, van de WWB.


4.3.

Een bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast, dient te zorgen voor een zorgvuldig onderzoek naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:BV1015) volgt dat indien voor het vaststellen van de feiten mede gebruik gemaakt wordt van de deskundigheid waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt, het bestuursorgaan een ter zake deskundige kan inschakelen om zich van advies te laten dienen. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan om zich ervan te vergewissen dat dit advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering slechts sprake zijn indien uit het advies ten minste blijkt op basis van welke gegevens het advies tot stand is gekomen en welke procedure bij het tot stand brengen van dit advies is gevolgd.


4.4.

Het advies van Margolin van 8 oktober 2013, waarop de besluitvorming is gebaseerd, voldoet aan de hiervoor geformuleerde eisen van zorgvuldigheid. Van betekenis in dit verband is dat dit advies is gebaseerd op basis van eigen onderzoek en de arts de klachten van appellant in kaart heeft gebracht. Anders dan appellant stelt, heeft de arts niet geconcludeerd dat de behandeling door de psychiater van Virenze succesvol is afgerond. Uit het advies van Margolin volgt dat deze behandeling begin 2013 is gestaakt wegens de eigen bijdrage die appellant moest gaan betalen. Verder staat vast dat appellant ten tijde van het onderzoek van Margolin niet onder behandeling stond van een psychiater of een psychotherapeut. De medisch adviseur heeft zich dan ook mogen baseren op de informatie die beschikbaar is gekomen vanuit het spreekuur en het eigen onderzoek. Uit de brief van J.W. Oosterwijk, psychotherapeut van Virenze, van 28 augustus 2014 blijkt dat appellant sinds 2009 een aantal keren in behandeling is geweest en dat hij sinds april 2014 opnieuw onder behandeling is voor dezelfde diagnose, depressieve stoornis. De grond van appellant dat ook in de periode dat hij niet onder behandeling stond, sprake was van een ernstige chronische stoornis waarover Margolin zich nader had moeten laten informeren dan wel nader psychisch onderzoek had moeten (laten) doen, slaagt niet. Uit het advies van Margolin blijkt dat de arts eigen onderzoek heeft gedaan naar de mentale belastbaarheid van appellant en de psychische klachten van appellant nader heeft beschreven en daarmee rekening heeft gehouden bij de vaststelling van de beperkingen van zijn mogelijkheden. Appellant heeft geen (aanvullende) medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zijn psychische klachten niet juist zijn weergegeven in het advies van Margolin dan wel dat anderszins medische beperkingen bestaan ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college zich heeft mogen baseren op het advies van Margolin.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) G.M.G. Hink




De griffier is buiten staat te ondertekenen




HD