Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 14/6913 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4746

Inhoudsindicatie
Bijstandsaanvraag ten onrechte afgewezen. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het van het huisbezoek opgemaakte verslag een juiste weergave is van dat wat de klantmanagers in de woning van appellante hebben waargenomen. Hierbij is van belang dat appellante van meet af aan de juistheid van het verslag heeft betwist en dat naar aanleiding van haar correcties en aanvullingen is erkend dat het verslag op essentiële onderdelen onzorgvuldigheden bevat. Bovendien kon de gemachtigde van het college ter zitting bij de Raad niet verklaren waarom het verslag pas na ruim een maand ter ondertekening aan appellante is gestuurd. Deze onzorgvuldigheden en hetgeen blijkens de rapporten van 21 oktober 2013 en 5 december 2013 bij het huisbezoek volgens de rapporteurs wel is aangetroffen brengen met zich dat het college niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat essentiële, voor een bewoning door appellante noodzakelijke elementen niet aanwezig waren op het uitkeringsadres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
14/6913 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6913 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 november 2014, 14/1972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2015. Voor appellante is verschenen, mr. J.J.E. Stout, kantoorgenoot van mr. Jansen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft op 23 juli 2013 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande in verband met het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van de Werkloosheidswet (WW). Appellante heeft tot en met

2 augustus 2013 een WW-uitkering ontvangen. Zij heeft bij haar aanvraag opgegeven woonachtig te zijn op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). In de gemeentelijke basisadministratie (GBA, thans: Basisregistratie personen, BRP) staat zij sinds 5 augustus 2011 op het uitkeringsadres ingeschreven. Bij de aanvraag heeft appellante een door haar en de verhuurder op 29 december 2012 ondertekende huurovereenkomst overgelegd. Hierin is vastgelegd dat zij vanaf 1 januari 2013 tot 31 december 2013 op het uitkeringsadres een kamer huurt tegen een maandelijkse huurprijs van € 270,-. Appellante heeft in het kader van de aanvraag onder meer stukken overgelegd afkomstig van zorgverzekeraar CZ, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), het

UWV-WERKbedrijf, Primeline, en de hogeschool Inholland. Bij deze instanties is appellante bekend op het uitkeringsadres.


1.2.

Bij besluiten van 21 augustus 2013 en 1 oktober 2013 heeft het college appellante voorschotten verleend tot een totaalbedrag van € 1.667,66.


1.3.

Op 19 oktober 2013 hebben twee klantmanagers van het college ter verificatie van de woonsituatie van appellante een huisbezoek aan het uitkeringsadres gebracht. Aanleiding hiervoor was dat op de door appellante in het kader van de aanvraag overgelegde rekeningafschriften als adres van appellante [adres 2] [woonplaats] stond vermeld, op welk adres een alleenstaande man stond ingeschreven die ook bijstand ontving en dat in het GBA, naast appellante, nog twee personen op het uitkeringsadres, een driekamerwoning, stonden ingeschreven. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in de Rapportage verslag huisbezoek met bijlage (verslag) van 21 oktober 2013, aangevuld bij rapport van

5 december 2013.


1.4.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 5 december 2013, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 26 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen en de aan haar verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 1.667,66 teruggevorderd. Het college heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB ten aanzien van haar woonsituatie heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


1.5.

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het college appellante met ingang van 10 december 2013, de datum waarop zij een nieuwe aanvraag om bijstand heeft gedaan, bijstand verleend omdat de eerder aanwezige onduidelijkheid over de feitelijke woonsituatie van appellante was weggenomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt, kort gezegd, dat zij niet op het uitkeringsadres woonachtig was.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft de te beoordelen periode terecht vastgesteld op de periode van 23 juli 2013 tot en met 5 december 2013. Tevens heeft de rechtbank terecht overwogen dat het aan appellante is om in het kader van haar aanvraag om bijstand voldoende duidelijkheid te verschaffen over haar woonsituatie.


4.2.

In het in 1.3 vermelde verslag van 21 oktober 2013 is onder meer het volgende opgetekend. Tijdens het huisbezoek zijn in de kamer van appellante een bed, tafel, kledingkast en een kastje met een televisie aangetroffen. In de kledingkast bevonden zich enkele kledingstukken, beddengoed, een handdoek, ondergoed, sokken, een tas en een colbert. Verder zijn er twee paar schoenen, boeken, post en op de tafel gel, nagellak, deodorant, en bodylotion aangetroffen. In de badkamer lag de tandenborstel van appellante in een geopende verpakking. In de keuken heeft appellante de keukenspullen en levensmiddelen aangewezen zoals zij die daarvoor ten overstaan van de klantmanagers had beschreven. Toen zij desgevraagd geen snijplank kon tonen heeft zij gezegd dat zij kip in haar hand snijdt. Desgevraagd kon appellante geen poststukken tonen van haar zorgverzekeraar en het UWV, omdat die zich op het adres van haar moeder bevonden. Appellante verklaarde tevens dat zij haar belangrijke post, zoals rekeningafschriften, naar een kennis laat sturen. Zij verklaarde verder geen partner te hebben en twee keer in de maand bij haar moeder te slapen en in de weekenden bij haar moeder of een vriendin.


4.3.

Over de afwezigheid van haar vuile was verklaarde appellante in eerste instantie dat zij deze naar een wasserette had gebracht. Nadat haar echter om een afgifte bon van de wasserette was gevraagd, heeft zij verklaard dat de was bij een kennis is. Zij wilde de naam van de kennis niet prijsgeven om deze kennis niet in moeilijkheden te brengen. Een medebewoner van appellante heeft desgevraagd tijdens het huisbezoek verklaard dat appellante op haar kamer verblijft maar vaak bij haar partner is.


4.4.

Eerst bij brief van 27 november 2013 is het verslag ter ondertekening naar appellante gestuurd. Appellante heeft op 29 november 2013 het verslag niet voor akkoord maar wel voor gelezen getekend en daarbij heeft zij het verslag op onderdelen gecorrigeerd en aangevuld. Naar aanleiding van deze correcties en aanvullingen heeft één van de klantmanagers bij rapport van 5 december 2013 onder meer onderkend dat de naam van de medebewoner verkeerd in het verslag is vermeld, dat niet is gerapporteerd dat er decoraties en twee stoelen in de kamer aanwezig waren, dat geen twee maar vijf paar schoenen in de kamer stonden en dat niet in het verslag is opgenomen dat de medebewoner die om een verklaring was gevraagd Engels sprak en dat het gesprek met hem in het Engels is gevoerd. Tot slot heeft de klantmanager geen aanleiding gezien een wijziging aan te brengen in wat in het verslag is opgetekend over de in de kamer aangetroffen kleding, het zoeken door appellante naar de snijplank en de verklaring van de medebewoner dat appellante minder vaak in de woning is omdat zij bij haar “boyfriend” verblijft.


4.5.

De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het van het huisbezoek opgemaakte verslag een juiste weergave is van dat wat de klantmanagers in de woning van appellante hebben waargenomen. Hierbij is van belang dat appellante van meet af aan de juistheid van het verslag heeft betwist en dat naar aanleiding van haar correcties en aanvullingen is erkend dat het verslag op essentiële onderdelen onzorgvuldigheden bevat. Bovendien kon de gemachtigde van het college ter zitting bij de Raad niet verklaren waarom het verslag pas na ruim een maand ter ondertekening aan appellante is gestuurd. Deze onzorgvuldigheden en hetgeen blijkens de rapporten van

21 oktober 2013 en 5 december 2013 bij het huisbezoek volgens de rapporteurs wel is aangetroffen brengen met zich dat het college niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat essentiële, voor een bewoning door appellante noodzakelijke elementen niet aanwezig waren op het uitkeringsadres. Dat, zoals het college ter onderbouwing van zijn besluitvorming herhaaldelijk naar voren heeft gebracht, betrokkene niet naar waarheid heeft verklaard over de vuile was en over het bestaan van een vriend of partner, wat hier ook verder van zij, betekent niet dat zij niet woonachtig was op het uitkeringsadres.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij woonachtig was op het uitkeringsadres. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Nu niet is gebleken van overige beletselen die in de weg staan aan bijstandsverlening zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zowel het afwijzende besluit als het terugvorderingsbesluit van

5 december 2013 herroepen in die zin dat het college aan appellante in aansluiting op de einddatum van de WW-uitkering van appellante, dus met ingang van 3 augustus 2013, bijstand verleent naar de norm voor een alleenstaande waarbij de aan appellante verstrekte voorschotten in aanmerking worden genomen.


5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 februari 2014;

- herroept de besluiten van 5 december 2013 en bepaalt dat aan appellante met ingang van

3 augustus 2013 bijstand naar de voor haar geldende norm wordt verleend onder

verrekening van de verleende voorschotten en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit van 26 februari 2014;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en M. ter Brugge en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.



(getekend) Y.J. Klik




(getekend) J.L. Meijer




HD